The Golden Circle: Hveragerði en Kerið

Na ons spontane en ietwat uit de hand gelopen tripje naar de vulkaanuitbarsting bij Grindavik, sliepen we op een en camping vlakbij het vliegveld. Het was niet de meest gezellige camping, maar het kon ermee door.
Het plan voor de komende dagen was om ons te focussen op de Golden Circle, een route die de meeste toeristen in IJsland eigenlijk wel nemen. Na wat intense dagen wilde we deze ook lekker rustig aan doen.
We verlieten de camping alsof we Walt en Jesse waren die in hun RV moesten vluchten voor de politie, om vervolgens terug te rijden naar de autoverhuur. Onze gastank was namelijk op en nooit meer wilden we het zo koud hebben, als tijdens de eerste nacht, toen we deze ook niet hadden gebruikt.
Bij de verhuur vroegen ze zestig euro voor een gasfles, wat ik al aan de hoge kant vond. Later zouden we erachter komen, dat dit een bizarre prijs was. We konden er niet veel aan doen, want we hadden toch echt gas nodig.
We reden door naar de eerste stop van de dag, Hveragerði, een klein dorpje gevuld met thermische activiteit. Het stoom kwam onder de putdeksels vandaan en overal zagen we rookpluimen omhoog komen en voorbij waaien. Aan de rand van het dorp was een soort gebied, wat iets weg had van een kinderboerderij, maar dan met allemaal thermische bronnen.
We liepen de kas in, wat de ingang moest voorstellen, betaalden 300 kronen per persoon en kregen een korte uitleg. We waren de enige daar. Het parkje had meerdere thermische baden, waar de zwavellucht merkbaar vanaf kwam. Ook was er een Geysir die iedere twintig minuten uitbarstte. Als klap op de vuurpijl konden we een ei koken in het hete grondwater. Ik en leuke gimmick, die vooral Miro kon waarderen.
We werden onthaald door een vrouw met een duidelijk Amerikaans accent en de hierbij horende karaktereigenschappen. Ze was aardig, maar gereserveerd en vond mensen toch minder leuk dan ze leek voorkomen. Aangezien Laurens in Washington, waar de vrouw vandaan kwam, is geweest, konden ze samen doorpraten over een aantal verschillende plekken. De vrouw kwam er al vrij snel op uit dat ze niet zo veel had met de vele imigranten - van wie je nieteens weet waar ze vandaan komen - die in haar tijd daar terecht kwamen. Ze kwam uit een echt redneck stadje. Uiteindelijk is ze met haar IJslandse man naar hier verhuisd. Maar ook hier is de bevolking enorm gegroeid en dat vond ze maar niets. Ze ging nog even door.
Ondertussen waren wij door het park gelopen, had Miro zijn ei gebakken, die best goed was gelukt en zagen we een paar potjes hot sauce staan die we moesten proeven! De Amerikaans-IJslandse fusion in een flesje. Ze waren lekker en best pittig. Miro kocht twee flesjes. Het was tijd om door te gaan naar onze volgende stop. Kerið.
Omdat de dagen kort zijn in IJsland werd het al bijna donker toen we aankwamen bij Kerið, een grote caldera, gevuld met ijs. Het was een goede plek om foto’s te maken en een rondje te lopen. Nu ik er op terugkijk, was het ook het laatste moment dat het niet extreem koud was. We hadden tot dat moment echt veel geluk gehad met het weer, maar het werd helderder en de wind nam toe.
We hadden boodschappen gedaan en waren voor het eerst naar de Vinbuðin geweest, de winkel met het IJslandse alcohol monopoly. Ik deed m’n best om niet te veel uit te geven en kwam terug met 12 halve liters voor 26 euro.
We kampeerden die avond op een camping vlakbij Geysir, zodat we hier de volgende ochtend naartoe konden. We dronken wat biertjes en speelden een spelletje, toen we opeens zagen hoe enorm fel het noorderlicht was geworden. Vervolgens spendeerden we de hele avond af en aan buiten onze camper om foto’s te maken van het natuurspektakel, wat oprecht niet met woorden te beschrijven is. Mocht je ooit bij het noorderlicht zijn, is de soundtrack van Brother Bear, geschreven door Phill Colins, wel een goede aanrader.