Aapjes kijken in Tangkoko National Park

Omdat ik momenteel geniet van een heerlijke all inclusive belevenis in een duikresort op Lembeh, vind ik het moeilijker dan ooit om te beginnen met het schrijven van dit verhaal. Zonde, want ondanks dat het Tangkoko National Park een veel minder luxe ervaring was dan hier, was het adembenemend. We zullen er dan toch aan moeten geloven. Mijn duikverhalen bewaar ik voor de volgende keer!
Ik had verwacht dat Laurens net als ons verblijf in Rumah Singgah ook onze homestay nabij Tangkoko National Park had geboekt. Dit klopte echter niet, want het was Laurien die ons de komende anderhalve dag zou vergezellen, terwijl wij de jungle van Noord-Sulawesi zouden verkennen.
Omdat Laurien door alle Cap Tikus van de dag hiervoor nogal een zware nacht had, maakten Laurens en ik haar, na het doen van wat laatste boodschappen, wakker. De rit naar Tangkoko werd verzorgd door een kennis van Alice, de collega van Laurien. Omdat Alice graag mee wilde rijden, mochten wij met z’n drieën en onze relatief lange Hollandse benen achterin de auto. De rit duurde ongeveer twee uur en bracht ons vanuit de binnenstad van Manado naar een van de meest noord-oostelijke puntjes van Sulawesi, diep in de jungle.
Je moet begrijpen dat zo’n rit relatief mooi is, maar nog steeds betekent dat de eerste anderhalf uur gewoon bebouwd is en het daarna langzaam, via bochtige wegen steeds groener wordt. Ook vlak naast het nationaal park liep echter nog gewoon een autoweg. Het is pas wanneer je erin wandelt, dat je zal zien hoe wild en onaangetast dit stukje jungle echt is. Toch blijf ik telkens met het aparte gevoel achter, dat heel Sulawesi zou zou moeten zijn, maar dat zelfs dit mooie eiland zo volgebouwd is.
De homestay waar we verbleven was schattig en bestond uit een aantal bungalows, die aan elkaar stonden als rijtjeshuizen. Ze waren klein en eenvoudig maar prima voor één of twee nachten. Wij zouden een nacht blijven en de avond- en ochtendtour doen met een privé gids. Na een kort moment installeren in onze huisjes, werden we alweer opgehaald voor onze eerste tour.
Net voor de schemering begon, werden Lauren, Laurien en ikzelf om vier uur opgehaald bij ons huisje. Onze gids, Yunus, was een klein maar breed Indonesisch mannetje. Hij lachte veel en droeg een enorme lens bij zich om vogels te spotten. Hij was voornamelijk stil, maar reageerde wel altijd wanneer je hem wat vroeg. Toch was hij ook niet gek van een grapje en nam hij ons meerdere keren in de maling. Hij vertelde een auto ongeluk te hebben gehad, waardoor zijn arm helemaal open lag. Ook at hij ooit een paddestoel, waardoor hij een maand in het ziekenhuis lag en bijna dood was. Zijn Engels was niet fantastisch maar het was goed genoeg om elkaar te kunnen volgen.
Na een half uur wandelen over wat leek op een modderpad, liepen we ineens via de rechterkant de jungle in. Het was alsof onze gids tot op de centimeter wist waar we naartoe moesten, want niet veel later stonden we voor een enorme boom, waar hij met zijn zaklamp begon te schijnen. De Spookdiertjes waar Yunus naar zocht, waren hier niet te bekennen. We liepen door naar een andere plek, waar we, alsof het toeval was, een groep andere toeristen uit onze homestay naar een boom zagen kijken. Hun gids scheen met een zaklamp op de spleten in de boom, waar opeens een klein bolletje tevoorschijn kwam ter grootte van mijn vuist. Eén spookdiertje werden er twee, drie, vier en vijf. Op een gegeven moment stopte ik met tellen en werd het schouwspel een ware uitdaging om een zo goed mogelijke foto te maken. Tegelijkertijd probeerde ik te genieten van waar ik was en wat ik zag. Spookdiertjes komen uitsluitend voor op De Filipijnen en Sumatra, Borneo en Sulawesi in Indonesië. Ze hebben een staart die vaak twee keer zo lang is als hun lichaam en hersenen die even groot zijn als hun ogen.
We stonden ruim een half uur bij de Tarsiers, zoals de dieren in het Engels heetten, te kijken. Inmiddels kwamen de muggen ook, wakker en wel, op ons af. Het was donker en we liepen richting de uitgang van het park. Voor we terug gingen, had onze gids echter nog een aantal verrassingen voor ons. Zo scheen hij met een UV lamp over een boomstam, waar een fel silhouet van een schorpioen oplichtte. Het was geen grote variant, maar het had toch iets angstaanjagends. Even later, dichtbij de uitgang van het park, zei Yunus een kortere weg te hebben, waarna we naar links, terug de jungle in, afbogen. Niet veel later scheen hij met zijn zaklamp op een boom, waar een enorme vogelspin op zat. Ik liep hier in al mijn enthousiasme naartoe om een foto te maken, maar voor ik het wist, was hij alweer weg.
We liepen dit keer echt terug, gaven Yunus na een aantal leuke grapjes over nachtvlinders - je had erbij moeten zijn - een fooitje en gingen een hapje eten. Bij het restaurant waar Yunus ons afzette en wat tegelijkertijd tegenover onze homestay was, bestelden Laurien en ik Ayam Kecap en ging Laurens voor de Mi Goreng. Helaas viel het eten zeer tegen en gingen we onvoldaan terug naar het huisje. We waren erg moe van de tour en gingen vrijwel allemaal direct naar bed.
De volgende ochtend ging onze wekker namelijk om vijf uur, zodat we om zes uur konden vertrekken voor onze ochtendtour. Na ons ontbijt stond ook Yunus weer klaar en liepen we weer richting de jungle. Ergens was ik er bang voor dat deze tour heel erg hetzelfde zou zijn als die van de dag ervoor, maar niets was minder waar. Omdat de tour langer duurde, gingen we ook verder het regenwoud in. Het duurde dan ook niet lang voor we de eerste groep Makaken zagen. Het was een legendarisch uitzicht om daadwerkelijk omringd te zijn door deze wilde apen. Ze keken je aan, gingen zitten, stonden op, liepen wat verder, klommen in de boom. Al met al leefden ze gewoon hun leven terwijl wij ernaast stonden. Ik denk dat ik hier uren naar had kunnen kijken. Het fotograferen van deze apen was, zoals je kunt zien, ook een feest!
Omdat onze gids, Yunus, ons al had voorbereid op wat we konden zien, was het heel de ochtend afstrepen geblazen. Na de makaken was het tijd voor een heel aantal vogels, waaronder de neushoornvogel, die af en toe lastig te zien is. Na een goed half uur zoeken, kwamen we uit op een plek waar meerdere andere groepjes de lucht in keken. Het was goed zoeken, maar hun harde geluid geeft veel weg. Zo klinkt een vliegende neushoornvogel een beetje als een helicopter en hebben ze ook de neiging om met hun kenmerkende geluid met elkaar te praten. Deze specifieke variant heet trouwens de Temmincks neushoornvogel, voor het eerst beschreven door Coenraad Jacob Temmincks, een Nederlandse Zoöloog uit de achttiende eeuw.
Naast de makaken en neushoornvogels zagen we ook nog de koeskoes, niet vernoemd naar het veelal Marokkaanse gerecht. De koeskoes is een soort beer die hoog in de bomen leeft. Het deed mij vooral denken aan de neusberen in Costa Rica, behalve dat deze dan weer voornamelijk op de grond leven. Hoewel het een leuk beestje is, zagen we deze niet heel goed. Hij zat hoog in de boom en we waren inmiddels erg moe van zes uur hiken door de jungle binnen de afgelopen twaalf uur.
Het restant van de wandeling nam onze concentratie een beetje af en werden we weer melig. Ik refereer weer aan de nachtvlinder of kupu kupu malam in het Indonesisch. Nogmaals is dit echt iets waar je bij had moeten zijn.
Na de ochtendtour wilden we gaan lunchen bij een waroeng op het strand. Wat wij echter niet wisten is dat het dorp waaraan het strand lag, niet echt bestond. Althans, het bestond wel maar de mensen die er woonden, waren er niet. Het was een verlaten en tot onze spijt zeer lelijk bouwval. We konden geen eten vinden en omdat we vanwege onze slechte ervaring niet terug wilden naar het restaurant van de avond ervoor, besloten Laurens en ik maar terug te gaan naar Manado.
Het was nog een hele opgave om ons transport terug te regelen, maar uiteindelijk lag de opgave dichterbij dan verwacht. Via onze homestay vonden we een mannetje die ons, weliswaar voor een halve ton rupiah, terug naar Rumah Singgah wilde brengen.
De rest van de dag deden Laurens en ik rustig aan. Ik haalde lunch bij een lokale markt en at zo voor zeventienduizend rupiah - iets meer dan een euro - een heel bord met rijst, kip, tonijn en groente. Hierna bleven we op bed liggen in onze homestay, die wel helemaal voor onszelf hadden, en gingen we richting de Megamall. In dit winkelcentrum voelden wij ons, meer nog dan in de rest van Manado, supersterren. We werden van alle kanten aangekeken, toegelachen en nageroepen. “Boele! Boele!” Klonkt het regelematig. Hun uitdrukking voor wanneer ze een wit persoon zien. Vroeger veelal negatief bedoelt, maar tegenwoordig vooral uit verbazing gebruikt.
De mall was erg druk en minder leuk dan we hadden gehoopt, waardoor we hierna richting Carpediem gingen, een restaurant met live muziek, waar Laurens eerder al is geweest. Na een voorzichtig biertje gingen we hierna over op een pitcher. De homoseksuele ober kende Laurens nog van de vorige keer en had duidelijk interesse, terwijl zijn vrouwelijke collega meer met haar telefoon bezig was dan met de gasten in het restaurant. Op een gegeven moment vroeg ik haar aandacht en begon ze gewoon iemand anders te bellen. Nee, de avond werd pas echt leuk, toen Laurens en ik in gesprek raakten met twee locals, die ons hierna uitnodigden om een potje te poolen.
Het poolen ging goed tot en met het einde van het eerste potje. We wonnen, waarna we er nog een stuk op zeven verloren. De drie pitchers die volgden hielpen niet mee, maar zo’n aanfluiting hadden wij ook niet verwacht. Het was tijd om naar huis te gaan. De volgende ochtend zouden we namelijk vertrekken naar Lembeh, voor ons langverwachte duikavontuur.