Babinda Boulders en op zoek naar werk!

Na afscheid genomen te hebben van Daire was het tijd om zelf ook een verdwijntruc te doen in Cairns. Ik moest mijn volle focus leggen op het vinden van een baan. Iets dat hier niet zou gaan lukken. De stad had te veel afleiding, zat vol met concurrerende backpackers en ik had tenslotte een troef in handen, die veel van hen niet hadden, een auto. Hierom besloot ik om door te rijden naar een gratis camping op ongeveer een uurtje rijden ten zuiden van Cairns in Babinda, om hier vervolgens de volgende dag mijn zoektocht naar een baan te starten. Wat ik niet wist, is dat dit direct mijn laatste dag als werkeloze backpacker zou zijn. Daar gaan we!
Het had iets deprimerend om dezelfde route over de A1 oftewel de ‘Brice Highway’ terug te nemen, als dat ik was gearriveerd. Toch was ik benieuwd naar Babinda omdat we deze door onze route via de Atherton Tablelands hadden overgeslagen toen we voor het eerst richting Cairns reden. Ik had vooral gehoord dat er bij Babinda twee gratis kampeerplekken waren, waardoor ik mijn kleine budget van tweeduizend dollar dat ik nog had kon besparen. Je weet het namelijk nooit, voor het zelfde geld duurt het weken om een baan te vinden. Mijn online zoektocht via SEEK gaf namelijk niet heel veel hoop. Ik besloot deze dag nog even rustig aan te doen en een plan te maken voor de volgende ochtend. Noem het een kwestie van de juiste mindset vinden, noem het uitstelgedrag. Het maakte niet uit. Ik had bij Gilligans, het hostel in Cairns een tiental CV’s uitgeprint, om de volgende dag uit te delen, waar ik dan ook uitkwam.
Eenmaal in Babinda zag ik wat opties, waar ik in eerste instantie voorbij reed, richting de ‘Boulders’, ietwat uit het dorpje. Hier verloor ik ook direct de verbinding op mijn telefoon. Erg rustig want het was pas halverwege de middag. Ik bezocht eerst de rotsformatie en wandelde naar de Devil’s Pool, waar verschillende borden stonden die aangaven hoe gevaarlijk het hier wel niet was. Niet zwemmen dus! Het was wel een adembenemend uitzicht, geef ik toe. Enorme ronde rotsen met in het midden een doorlopende waterval. Ik reed door naar het kampeergedeelte, waar ik een plaatsje vond tussen een luxe en aftandse camper. Zo ook het gedrag van mijn buren. Aan de ene kant, lief en zeer beleefd, aan de andere kant ronduit asociaal en knorrig.
Het was zes juli, de verjaardag van mijn vader die inmiddels bijna negen jaar geleden was overleden. Ik vond het typisch dat ik onbewust hetzelfde had gedaan als wat hij in die tijd maar al te graag deed. Zijn eigen verjaardag ontvluchten en kamperen op een plek zonder bereik, zodat hij ironisch genoeg zijn verjaardag niet hoefde te vieren. Ik speelde gitaar naast mijn auto, tot mijn knorrige buurman er genoeg van had. Hij vertelde me eenzelfde toon dat ik snel moest stoppen met gitaarspelen. Mijn andere buren grepen in. “Dit is een openbare kampeerplek, hij mag gewoon muziek maken als hij wilt hoor.”, waarop hij reageerde: “Niet deze zooi!” Het werd een discussie die buiten mij om gevoerd werd, maar ik waardeerde de bijval. Overigens had ik mijn gitaar al weggelegd omdat mijn knorrige buurman zijn eigen stereo met jaren ‘80 hits inmiddels had aangezet. Ik kletste wat met mijn lieve buren, die zich verontschuldigden. “Niet alle Australiërs zijn zo hoor!” Waarop ik zei dat ik dat gelukkig na acht maanden wel doorhad.
De volgende ochtend moest ik er maar aan geloven. Het was tijd om de tent in te pakken en daadwerkelijk op zoek te gaan naar een baan. Ik begon, zoals aangekondigd, in Babinda. Omdat ik inmiddels niet meer functioneer zonder koffie (nog altijd beter dan roken en drinken!), begon ik bij een café op een hoek van de hoofdstraat. Na het bestellen van een cappuccino vroeg ik met enige twijfel in mijn stem of ze hier nog mensen zochten. Het meisje die mijn koffie zette gaf aan dat ze zelf binnenkort weg zou gaan. Ze zou haar manager voor me halen. Een oude vrouw met grijs haar kwam vanuit haar ietwat stoffige kantoor naar buiten en keek afkeurend maar toch alles lezend naar mijn CV. “Je hebt veel ervaring hè? Kun je koffie zetten?” Waarop ik twijfelend antwoordde dat het even geleden is. Ze herhaalde. “Maar kun je koffie zetten? Als ik je nu zou vragen om een cappuccino te zetten, kun je dat?” Ik reageerde zelfverzekerder, maar nog steeds met twijfel. “Jahoor. Dat moet lukken.” Ze keek minstens zo vertwijfeld maar ook met een blik dat ze mij overwoog. Ze besloot mijn CV mee te nemen en te bellen als er een positie vrij kwam. Ik dronk mijn koffie met het gevoel dat ik hier niet wilde werken en ik ging door met mijn zoektocht.
Ik besloot een bezoekje te brengen aan de lokale VVV, een klein gebouwtje aan het begin van de straat, pal naast de snelweg, met een hoop folders over de omgeving. Binnen stonden een oude man en vrouw die mij vriendelijk hielpen. Ze stelde voor dat ik bij het lokale uitzendbureau zou kijken, net als de twee pubs in het dorp. Anders moest ik doorrijden naar Innisfail, zo’n veertig minuten verderop, waar meer opties zouden zijn.
De vrouw die werkte in de eerste pub die ik probeerde, gaf direct aan dat zij net was aangenomen hier en dat ik daarom weinig kans had, ook de bakker tegenover de pub had net twee Franse toeristen aangenomen. Ik was bang dat ik te laat was voor alle baantjes. Wel gaf ze mij de tip om door te rijden naar Paronella Park, voorbij Innisfail. Hier zat een café waar ze ook tours deden. Ik dacht er nog niet veel van, maar ik schreef alles op en nam iedere tip aan. Wordt vervolgd.
In het hotel en de pub aan de andere kant van de straat werd ik ontvangen door een op het oog Duitse backpacker, die snel haar manager voor mij haalde. Ik vroeg of hij nog mensen zocht, waarop hij zei: “Ben je een elektricien?” Ik moest lachen. Hij had geen plek voor mij maar gaf me wel een zetje richting de Babinda Springs, een water bottelaar die af en toe nog met backpackers werkte. Ik reed erheen. Helaas waren ze ook hier net voorzien. Ik liet het inmiddels snel van me afglijden en reed door. Ik stopte kort bij Clyde Road, aangezien de vrouw van de VVV had aangegeven dat hier een krokodil zat. “Bij de spoorbrug kun je hem zien.” Ik zag inderdaad een krokodillen waarschuwingsbord, maar van Clyde was geen spraken. Ik reed door naar Innisfail.
In Innisfail zag ik direct een groot hostel gericht op backpackers die op Bananen boerderijen werkten. Er stonden telefoonnummers op de muur van werkgevers maar ik zou nog liever naar huis vliegen, dacht ik. De suikerrietindustrie was een andere optie. In South Johnstone zat een grote suiker raffinaderij, waar ik wel interesse in had, maar ik zou eerst mijn horecaopties in het stadje afgaan. Ik belde het lokale hotel en kon langskomen om mijn CV af te geven. Ik had een goed gevoel, toen de manager onder de indruk was van mijn CV. Ze zou deze afgeven aan recruitment en die zouden later beslissen over mijn lot. Ik zag mezelf hier wel werken.
Ik keek nog een keer op mijn lijstje omdat ik absoluut geen bananenboer wilde worden. Paronella Park prijkte daarop en ik bedacht me dat dat hier dichtbij moest zijn. In twintig minuten reed ik naar het park toe, waarvan ik niet zeker was, wat het inhield. Ik reed langs de suikerriet raffinaderij, door de bananen- en rietplantages tot ik bij het park in Mena Creek aankwam. Mena Creek stelde niet veel voor, maar de parkeerplaats van Paronella Park was vol. Ik parkeerde de auto.
Toen ik naar de ingang liep, werd ik direct ontvangen door een oudere maar vriendelijke man, Mark, die vroeg of ik wilde inchecken voor de camping of alleen een dagje kwam bezoeken. Ik gaf aan dat ik niet helemaal wist wat de bedoeling was, maar dat ik voornamelijk op zoek was naar werk. Hij vroeg waar ik vandaan kwam en reageerde enthousiast toen ik zei dat ik uit Nederland kwam. Hij zei dat hij even ging kijken wat hij voor me kon doen en vroeg of ik mee wilde lopen. Al snel kreeg ik een heel boekwerk al sollicitatieformulieren in mijn handen gedrukt. Dit was niet zomaar een café, bedacht ik me. Ik vulde alles in en vroeg, voor ik zou vertrekken, of ik in het park zou mogen kijken. Normaalgesproken zou entree voor het park 59 dollar kosten, maar ik kreeg een sticker en mochten rondje lopen. Ik begreep nog altijd weinig van het concept.
Ik liep door het park en het was prachtig. Ze hadden een waterval, oude gebouwen die op kastelen leken en een eigen regenwoud. Hier zag ik mezelf al helemaal werken. Ik hoopte er stiekem al helemaal op. Na mijn rondje door het park liep ik vrij geruisloos naar buiten en reed ik terug naar Innisfail om daar accommodatie te zoeken. Ik dacht na over mijn volgende stop toen ik opeens een SMS kreeg met de vraag of ik nog in het park was en naar het kantoor kon komen. Ik parkeerde mijn auto weer en liep naar binnen, op zoek naar Katherine. Ze kwam naar buiten met een oudere vrouw, Judy, die zich ook voorstelde en we gingen voor op het deck zitten. Ook Mark kwam erbij staan. Ze waren samen, beide in de zeventig, blijkbaar de eigenaar van Paronella Park. Katherine was hun dochter.
Na een kort gesprek was het duidelijk, ze wilden me graag aan het team toevoegen als allround medewerker. Wat dat ook mocht zijn. Direct kreeg ik een kampeerplek aangewezen en werd ik aan een aantal mensen voorgesteld, mijn buurvrouw en tourgids Sara, Bec en Mel van de kaartverkoop en uiteindelijk Les, een ervaren kracht en Kerry, de manager van de pub waar ik ook zou gaan werken. Na een zoektocht van ongeveer zes uur, had ik een baan en een nieuwe verblijfsplaats. Paronella Park zou de komende maanden mijn thuis zijn.
De eerste dagen waren leuk en gingen snel. Ik werd alleen nog niet betaald voor het werk wat ik toch wel deed. De eerste avond was ik zo enthousiast dat ik vrijwillig met alle avondtours mee ging om te zien hoe dit eraan toe ging. Ik kreeg hierna het script voor mijn dagtours, een document van 25 pagina’s dat ik uit mijn hoofd moest leren voor de volgende donderdag, wanneer ik officieel zou beginnen met mijn eigen tours. Hoewel het raar was dat ik hiervoor niet betaald werd, won mijn enthousiasme van het cynisme over die situatie. Ik keek mee terwijl ik settelde op de camping van het park. Mijn buren waren Sara en Alyssa, met wie ik al snel een goede band had. Ook de rest van de backpackers waren leuk en gaven mij direct een goed en welkom gevoel. Over hen vertel ik later meer, want het volgende weekend stond alweer een trip naar Airlie Beach op de planning, waar ik met de jongens, Miro en Just zou afspreken om weer een weekendje gek te doen, voor het arbeidersleven weer zou beginnen.