Cooktown en The Bloomfield Track

Omdat ik zowel werk al woon in Paronella Park, zal het je niet verbazen dat ik, wanneer ik een paar uur of zelfs dagen vrij ben, graag de omgeving verken. Soms betekent dit een ochtendje zwemmen bij Josephine Falls of op het strand hangen bij Etty Bay, maar af en toe lopen deze kleine roadtrips een beetje uit de hand. Zo ook dit keer.
Ik had drie dagen vrij gekregen van Les, die de roosters wekelijks maakt en dus zag ik de optie voor een roadtrip. De ochtend begon zoals eerder beschreven op het strand van Etty Bay, waar ik met Sara en Cai om negen uur had afgesproken. Cai, een jongen uit Vanuatu, was pas een paar weken werkzaam bij Paronella Park, maar zou ook alweer bijna vertrekken. Ik mocht hem erg graag en zo spendeerden we toch heel wat ochtenden op het paradijselijke strand. Ik legde mijn idee voor om naar Cooktown te rijden, waarop hij zonder twijfel aangaf dat ik het moest doen. Ik was eigenlijk al verkocht. Toch was het voor een roadtrip van drie dagen een behoorlijke rit van ruim vijf uur vanaf Paronella Park.
Toen we terugkwamen van het strand en ik mijn idee voorlegde, was er nog even spraken van Pablo die mee zou gaan, maar het was net iets te last minute voor hem. Begrijpelijk, want niet iedereen is zo spontaan om meer dan achthonderd kilometer heen en weer te rijden voor een dorpje en mooi uitzicht. Wat was het alternatief? Stilzitten en niets doen? Absoluut geen optie.
En dus vertrok ik met mijn rode tank richting het noorden. Via de Atherton Tablelands kwam ik aan bij Shaylee Strawberry Farm, waar ik in eerste instantie simpelweg een camping in Cooktown wilde boeken. Het zou namelijk al donker zijn wanneer ik aan zou komen en dus plande ik, totaal zoals ik eigenlijk liever niet doe, vooruit. Op de parkeerplaats van de aardbeien boerderij kwam ik erachter dat het meer was dan een simpel boerenbedrijf. Je kon er je eigen aardbeien plukken, zelfgemaakt softijs eten en zelfs in de tuin zitten. Ik genoot van de laatste twee activiteiten in mijn tussenstop. Het deed mij een beetje denken aan mijn herinnering van de pluktuin gecombineerd met die van IJsboerderij Labora op Texel. Er waren minstens zoveel kinderen en dus was het na mijn ijsje ook zeker weer tijd om te gaan. De aardbeien bewaarde ik voor een volgende keer, maar ook deze zagen er fantastisch uit. Ik begin zowat het idee te krijgen dat vrijwel al het mogelijke groente en fruit in deze omgeving kan groeien.
Na het boeken van de camping die Ines, mijn Portugese collega, had aangeraden, reed ik door via Mareeba over de snelweg 81, die mij naar het zuiden van Cape York zou brengen. Cape York, zo heb ik geleerd tijdens mijn eerste maanden bij Paronella Park, is best een dingetje. Elke dag zie ik gasten in foeilelijke vissersshirts met een bedrukking die leest: “I made it to the tip”, waarmee bedoelt wordt, het topje van het Australische continent en dus Cape York. Deze route, zo’n negenhonderd kilometer naar het noorden vanaf Cairns, is een populaire maar behoorlijk heftige roadtrip, waarbij Cooktown vaak de eerste of tweede stop is en tevens de stop waarbij de geasfalteerde wegen overgaan in gravelpaden, modderpaden of zelfs rivieren die je alleen met verhoogde vierwielaandrijving kunt en wilt trotseren. Het schijnt echter een van de mooiste en meest enerverende roadtrips te zijn in het land, maar ik houdt mijn rode tank graag heel, dus stel deze nog even uit.
Dat een trip als deze de nodige voorbereiding vergt, is zelfs in mijn geval al te zien, want op het traject tussen Mareeba en Cooktown, toch zo’n tweehonderd kilometer, vond ik nauwelijks meer dan twee roadhouses. Het meenemen van een UHF radio, welke ik helaas niet bezit, is dus ook handig. Ook een jerrycan met extra benzine, een volle watertank en enige kennis van het vervangen van een klapband, tevens niet in mijn arsenaal, is aangeraden.
Ik stopte bij het roadhouse in Lakeland, een best gezellige plek en gek genoeg een café wat nog het meeste weg had van een bruine kroeg, sinds ik in Australië was aangekomen. Ik haalde de nodige benzine en een sixpack biertjes voor op de camping. Het begon al donker te worden en dus reed ik snel door. Er was hier echt niets. Het was zowel prachtig als doodsaai. Prachtig omdat ik me in het midden van de natuur bevond, maar doodsaai omdat het uitzicht van droge gombomen en heuvels ook snel hetzelfde werd. Toch werd ik beloond met een mooie zonsondergang, omdat ik me op een heuvel bevond. Een goede zonsondergang is zeldzaam in het oosten van Australië omdat de zon nu eenmaal ondergaat in het westen. Na nog een half uurtje rijden, kwam ik aan op mijn bestemming. In Cooktown at ik een verrassend goede Thaise maaltijd bij een authentiek Thais restaurant. Een aantal voorgerechten én natuurlijk mijn favoriet, de Massaman Curry. Hierna reed ik snel terug naar de camping, waar ik vroeg in slaap viel. Het was tenslotte een lange dag geweest.
De volgende dag was het zondag, iets waar ik in mijn (gebrek aan) planning geen rekening mee had gehouden. Het museum, een van de hoogtepunten van Cooktown, was gesloten en dus zat er weinig anders op dan zelf ontdekken wat dit dorpje te bieden had. Ik reed naar de Grassy Hill lookout en keek uit over het rif, de riviermonding die uitkwam in de zee, het dorpje en het zuidelijke gedeelte van Cape York. Het was werkelijk prachtig. Toch mag ik bij het schrijven van dit stuk niet vergeten te vermelden waarom we überhaupt spreken van Cooktown. In 1770 was dit namelijk de plek waar kapitein James Cook namens het Britse rijk voor het eerst aan land kwam. In de negentiende eeuw fungeerde de plek ook als centrum van de goudkoorts van die tijd, die de omgeving zeker een hoop relatieve rijkdom heeft opgeleverd. Hoewel James Cook een belangrijk figuur is in de rijke geschiedenis van Australië, wordt hij inmiddels door veel bewoners gezien als een pion in de Britse kolonisatie van het land, waarbij hij en vele anderen ook een grote rol hebben gespeeld in de onderdrukking, verbanning en zelfs het uitmoorden van de oorspronkelijke bevolking van wat wij nu Australië noemen. Door Australië bijvoorbeeld Terra Nullius (“Het land van niemand”) te noemen, erkende hij de Aboriginals niet als de oorspronkelijke bewoners van het land. Dit wordt tot op heden regelmatig gezien als het begin van de onderdrukking van deze bevolking. Aan de andere kant is James Cook ook verantwoordelijk voor cartografie die tot op heden wordt gebruikt in de moderne scheepvaart. Dit is op zijn minst indrukwekkend te noemen voor een achttiende eeuwse scheepsvaarder. Toch kan ik deze kritische notitie nauwelijks positief eindigen, wanneer ik kijk naar de huidige positie van de oorspronkelijke bewoners van Australië waarin nog steeds sprake is van onderdrukking en een minderwaardige rol in de samenleving.
Na een goed gesprek bij het uitzichtpunt met een familie uit Sydney, besloot ik om mijn weg te vervolgen richting de Bloomfield Track, die Cooktown via de inheemse gemeenschap van Wujal Wujal verbindt met de kust en Cape Tribulation. De Bloomfield track is een grindpad van tweeëndertig kilometer lang en dus ook alleen toegankelijk voor auto’s met vierwielaandrijving. Na wat navraag kwam ik tot de conclusie dat de rode tank, zoals ik mijn auto inmiddels noem, dit wel aan zou moeten kunnen. De eerste stop op de route was Keatings Lagoon, een lagune gevuld met waterlelies en zoals het bordje aangaf, zoutwaterkrokodillen. Zo ver noordelijk als ik nog nooit was geweest in Australië, ben je je leven niet zeker als je bij het water staat. Laat staan wanneer je alleen bent. Het uitzicht vanaf het drijvende platform was echter prachtig en rustgevend. Omdat ik bang was elke tien minuten te willen stoppen, reed ik snel door naar het volgende uitzichtpunt, inderdaad niet veel meer dan tien minuten verderop. Black Mountain National park was niet veel meer dan een uitzichtpunt op een grote hoop zwarte keien, waarvan de vraag vooral was, hoezo ze zwart waren en natuurlijk hoe ze hier in deze formatie waren gekomen. Zoals wel vaker, nam ik wat foto’s en reed ik door. Niet iedere vraag is er natuurlijk om beantwoord te worden.
Wederom tien minuten later kwam ik aan bij een stop die ik van de familie uit Sydney aangeraden had gekregen. The Lions Den Hotel, was een aparte plek. Het was er druk en het terras zat er zoals niet veel plekken in Australië überhaupt een terras hebben, vol. Twee mannen van in de zeventig speelde live muziek, waarbij een pianist over een bandje met drums meespeelde en de zanger jolig meezong met hits uit de jaren ‘50, ‘60 en ‘70. Achter de bar stonden jonge meisjes, waaronder een meisje uit Nederland, die niet doorhad dat ik ook Nederlands was. Gelukkig. Vrijwel iedereen at de Sunday Roast, maar Brits recept, zoals de deal aangaf. Twintig dollar inclusief een ‘Schooner’, zoals jullie inmiddels weten, een biertje groter dan een klein pilsje en kleiner dan een pint. Het geheel deed me denken aan een backpackers hostel voor volwassenen. Ik had het wel naar mijn zin. Wat zegt dat over mij?
Na de lunch reed ik door. Iets langer dan tien minuten dit keer, tot ik opeens, langs de weg een bordje zag staan met ‘art gallery and teahouse’. In de Black Cockatoo Gallery werd ik ontvangen door een vrouw die net zo verbaasd was om mij te zien als andersom. Ze had een Britse tongval en gaf direct aan dat ze net de shortbread uit de oven had gehaald. Ik bestelde een cappuccino bij haar en vrouw of ik even binnen mocht kijken. In de galerij hingen tientallen kunstwerken van zowel de vrouw zelf als haar man. Ik vond het een leuk stijltje maar het was helaas, zoals je van kunst mag verwachten, peperduur. Op de veranda, waar ik mijn koffie dronk, zat ook een ander stel uit Brisbane. We raakten kort in gesprek, tot er een ongemakkelijke stilte viel. Zo gaat dat soms. Als sneeuw voor de zon vervolgde ik mijn weg.
Vlak voor ik Wujal Wujal inreed stond er een groot bord langs de weg met een serieuze mededeling. “Alcohol verboden in de aboriginal gemeenschap Wujal Wujal.” Ik wist dat dit een ding was, maar had dit nooit eerder zelf gezien. Er was een uitzondering voor mensen zoals ik, die op doorreis waren, maar niet als het ging om de consumptie ervan. Hoewel ik het niet gepast of verantwoord vond om in het stadje zelf te stoppen, nam ik wel een kijkje bij de gelijknamige waterval. Hoewel ook hier een waarschuwingsbord voor zoutwaterkrokodillen stond, nam ik het risico en klom ik zo’n tweehonderd meter over de rotsen langs de rivier, het hoekje om voor het perfecte uitzicht. Het was daadwerkelijk prachtig. Ik na wat foto’s en video’s voor ik weer vertrok.
Dit was de laatste stop, voor het gedeelte van tweeëndertig kilometer over grindpaden. “Verboden voor caravans.” Herkende ik ook van de andere kant van de Bloomfield track, die ik al eens gedeeltelijk met Daire reed. Het eerste stuk ging stijl omhoog met een percentage van boven de dertig procent. De rode tank deed dit met gemak. Ze hadden de weg dan ook voorzien van ribbels voor extra grip. Eenmaal over de heuvel herkende ik het gewoon al. Dit was de plek waar Daire en ik waren omgekeerd omdat we niet wisten hoever we nog zouden moeten, terwijl we er dus bijna waren. De volgende drie kwartier waren prima te doen. Die Bloomfield Track is niets om bang voor te zijn en nauwelijks en een uitdaging voor de gemiddelde 4x4. Toch was het het waard om deze track nogmaals in zijn volledigheid af te leggen. Niet in de laatste plaats omdat ik dit keer wel de ingang naar Cowie Beach, een zeer afgelegen strand, wist te vinden. Het leek wel het ultieme paradijs. Toen ik eenmaal in Cape Tribulation aankwam en op Myall Beach, het volgende strand, tegen een schuingegroeide kokosnoot boom aan ging liggen, was de cirkel compleet.
Ik pakte mijn flesje cola light erbij en dacht heel even aan mijn vader. Het was vandaag de zeventiende van augustus, negen jaar na zijn overlijden. In plaats van een verdrietig gevoel, wat ik tot deze keer elk jaar wel had, voelde me ik nu blij en trots. Kijk eens hoever we zijn gekomen in negen jaar tijd. Van de eerste binnen de familie zijn die hoort dat papa dood is, tot dit vrijwel perfecte strand in het noord-oosten van Australië en werkelijk alle hoogte- en dieptepunten hier tussenin. Dit is waarvoor ik alles doe en laat. En dat geldt niet alleen voor mij, maar voor heel de familie, die niet alleen is doorgegaan, maar stuk voor stuk mooie dingen heeft bereikt. Eén ding is echter zeker, cola light, het favoriete drankje van mijn vader, is echter nog altijd gore troep.
De rest van de dag bezocht ik de mooiste plekken van het Daintree nationaal park opnieuw, zoals ik dat al eens met Daire deed. Alles tussen Cape Tribulation en Port Douglas is namelijk te mooi om zomaar doorheen te rijden. Het absolute hoogtepunt van de dag kwam toen ik stond te wachten op de veerboot over de Daintree rivier. In de verte zag ik een silhouet over de rivier drijven, vanaf de andere kant richting de kant waar ik stond. Het was een krokodil met een minimale lengte van vier meter. Zelfs een lokale bewoner die de pond nam, keek zijn ogen uit. Het was magisch, duurde een paar minuten, en stopte pas toen de pond aan onze kant was en ook de krokodil de overkant had bereikt. Wat een machtige wezens.
Ik reed door naar Port Douglas, waar ik nog een avond zou overnachten, voor ik de volgende dag om drie uur weer gewoon aan het werk moest. Port Douglas zit vol backpackers en dus koos ik ervoor om in een hostel te overnachten en een avondje uit te gaan met een stel Ieren en Schotten. Het was de karaokebar die er een kort maar krachtige avond van maakte. De volgende ochtend haalde ik een koffietje, dronk ik deze op in het prachtige Rex Smeal Park, voordat ik weer terugreed naar Paronella Park, mijn naambordje opdeed en naar werk liep.