Naar Laurens in Manado, Sulawesi

Mijn vliegschaamte begon vrijdag toch een beetje op te spelen, want na vier dagen in Bali, was het alweer tijd om door - of zeg gerust terug - te vliegen naar Manado, helemaal in het noorden van Sulawesi. Noord-Sulawesi is een regio die vooral bekend staat om zijn ongerepte natuur, het gebrek aan toerisme en goed duikspots. Drie aspecten die de komende tijd allemaal langs zullen komen. De echte reden dat ik naar Sulawesi zou afreizen, is vooral omdat Laurens hier al een aantal dagen zat om te duiken. Laurens is de broer van Julius, een van mijn allerbeste vrienden, die op vijftien december bij ons aansluit in Bali. Het was dan ook logisch om een retourtje te boeken van Denpasar naar Manado.
Ik vond het ook wel lekker om de komende week eventjes niet zo veel te plannen, omdat Laurens al eerder op Sulawesi is geweest en de regio dus goed kent. Zo had Lau een homestay geregeld, die we als uitvalsbasis zouden gebruiken en was hij ook bezig met twee tours door de jungle van Tangkoko en een verblijf op een duikresort op Lembeh, een eiland in de buurt. Voor het zover was, moest ik me eerst opmaken voor mijn negende en tiende vlucht in iets langer dan een maand tijd.
Mijn vliegschaamte werd een beetje aangewakkerd door deze gedachte, maar in landen als de Filipijnen en Indonesië is dit ook weer niet heel erg gek. Het zijn ten slotte zo veel eilanden dat vliegverbindingen regelmatig als bussen worden ingezet. Ze zijn betaalbaar en relatief snel. Sterker nog, deze twee vluchten werkten net als een busverbinding. Zo maakte ons vliegtuig een tussenstop op Makassar, in het zuiden van Sulawesi, zonder dat ik eruit hoefde. Helaas was de vlucht ook nog vertraagd, waardoor ik niet om twaalf uur, maar om een uur aankwam.
Voor het zover was, raakte ik alleen nog wel even mijn buideltasje, die ik een jaar eerder voor mijn verjaardag van Tim had gekregen, kwijt bij de bagagecontrole. Ik had deze in een ander bakje zitten dan mijn rugzak en telefoon, waardoor ik deze compleet was vergeten. Wonder boven wonder kreeg ik deze terug toen ik ruim een uur later, na het eten van een kom rundersoep, terugliep en vertelde dat ik deze was vergeten. De medewerker vroeg welke kleur mijn tasje was. Ik zei: ‘beige’, waarop hij vertwijfeld keek alsof hij niet wist welke kleur dat was. Omdat het waarschijnlijk het enige tasje was, die ze hadden gevonden, kreeg ik hem zonder problemen en met alle inhoud, honderd euro aan rupiah, terug.
Toen ik na een totale vlucht van vier uur aankwam in Manado, duurde het even voor ik mijn bagage terughad. Ik belde even met mijn moeder en appte ondertussen met Laurens over de gang van zaken een aantal kilometer verderop. Omdat de homestay die Lau had geboekt, buiten ons alleen gevuld was met een andere toevalligerwijs Nederlandse meid, moest Laurens bij haar nog even de sleutel van de accommodatie halen. Laurien, zoals ze heette, was echter aan de andere kant van de stad met een aantal locals aan het chillen. Laurens had inmiddels ook al een drankje op en zo werd dit dus een kat en muis spel, dat even duurde. Met een Grab was ik dus eerder bij Rumah Singgah, waardoor ik in een verlaten steegje en met al mijn spullen moest wachten op Laurens met de sleutel.
Ik belde even met Nikki, die in Nederland met klaar was met werken, toen ik opeens een auto de oprit op zag komen rijden. Om Laurens hier, op de meest afgelegen plek van Manado te zien, was wel erg gek. Toch was het ook wel fijn om weer even een reismaatje te hebben, waardoor ik niet constant zo op zoek zou hoeven te zijn. Lau gaf me een rondleiding en het was weer snel zoals vanouds. We liepen om het pand heen, waar de van plastic spaanplaten met een enorm strijkijzer daken maakten voor armere gebieden, alsof het hier heel rijk was. Achter het gebouw lagen, zoals ik al vaker had gezien, tientallen kokosnoten in stukken te drogen op de grond. Het zal een van de inkomstenbronnen zijn voor de NGO die zich hier huisvest. Laurens was hier al eerder geweest een aantal jaren geleden en had via zijn contacten hier ons verblijf geregeld. Laurien, deed hier momenteel vrijwilligerswerk en verbleef daarom in de andere kamer van het gebouw. Verder bestond het gebouw uit een kantoortje, een vergaderruimte en een keuken, die half buiten was.
De slaapkamer was basic, maar beter dan verwacht. Het was een Dorm die eigenlijk niet meer werd gebruikt. Dit was ook wel te merken aan de zwaktes die de ruimte had. Zo werkte de losse stroompunten niet en ging het licht alleen uit door het peertje uit het plafond te draaien. Wel was er airconditioning en was het ontbijt inbegrepen in ons verblijf. Alles bij elkaar kostte dit ongeveer zes euro per persoon per nacht.
Omdat Laurens al wat had gedronken en ik net uit het vliegtuig kwam, hadden we nog wel zin in een avontuurtje. We liepen door de hoofdstraat richting een winkeltje aan de overkant, die we de ‘potion seller’ noemde. Het was inmiddels namelijk al drie uur in de nacht en wij vonden het raar dat er op zo’n afgelegen plek nog avondwinkels, vergelijkbaar met de sari sari stores in de Filipijnen, open waren. We kochten voor vijf euro een fles water en een warme grote Bintang. Alles beter dan niets. We liepen terug naar ons verblijf en dronken ons eerste drankje samen. Eerlijkheid gebied te zeggen dat ik het grootste deel van het bier had opgedronken, maar dat komt ook doordat Lau inmiddels al een hele avond achter de rug had. Ikzelf zocht naar een leuk moment op deze verder lange reisdag.
Toen Laurien na een half uurtje ook aankwam met twee Indonesische gasten, verplaatsten we ons naar de voorkant van het gebouw. Niet veel later hadden we de opzichter, die voor ons ontbijt zou zorgen alleen wakker gemaakt. Niet expres natuurlijk, maar wel erg lullig. We dronken het laatste beetje bier en de Indonesische jongens hadden een fles lokale drank mee. De Cap Tikus zat in een plastic waterflesje, waardoor bij mij alle alarmbellen al afgingen. Na de verhalen uit Laos en Bali van de laatste tijd, was dit een rode vlag op de methanolradar. Toen Laurien aangaf dat ze helemaal naar een steegje gingen om dit te halen, werd mijn vermoeden bevestigd. Dit was zelf gebrouwen alcohol. Het werd gedronken als shot of met Sprite en de Indonesische jongens en Laurien dronken het aan de lopende band. Onder het mom van ‘try before you die’ of ‘yolo’ nam ik een slok. Eerst met sprite en daarna zonder. Het smaakte sterker dan gewone alcohol, maar verder niet gek. Ik liet het daarbij en dronk het laatste beetje bier toch maar snel op. Ethanol is namelijk hét antigif tegen een methanolvergiftiging. De kans dat hier daadwerkelijk methanol in zat, is natuurlijk erg klein, maar door het ongecontroleerde stokingsproces, nam deze wel toe. Wat er nu niet in zat, kan er de volgende keer wel in zitten.
Na een aantal goede gesprekken over de lokale muziekscene met Laurien en de jongens, was het voor Laurens en later ook voor mij tijd om naar bed te gaan. De volgende dag zouden we, na een goed ontbijt bestaande uit nasi goreng, ei en tofu, vertrekken naar Tangkoko National park om een aantal avontuurlijke hikes door de jungle te gaan maken.