Op dingo’s tour in K’gari (Fraser Island)

Schrijven over een tour zoals de Dingo’s K’gari Tag Along Tour is altijd een feestje. Deze groepservaringen doen mij vooraf altijd twijfelen of ik hier wel aan mee wil doen én of het het geld wel echt waard is. Het prijskaartje van 560 dollar voor twee nachten kamperen, is nogal stevig. De waarde ervan zit hem echter volledig in het groepsproces.
Voor Daire en ik aankwamen in Rainbow Beach, hadden we echter nog een bijzondere dag vol wisselende emoties. Onderweg naar de Noosa Everglades, waar we zouden lunchen, reden we namelijk langs een heftig motorongeluk. Zodanig heftig dat terwijl wij met lage snelheid langsreden, een man, waarschijnlijk de motorrijder, werd gereanimeerd. Het beeld van borstcompressies op een man van middelbare leeftijd is niet alleen iets wat je niet elke dag ziet, persoonlijk brengt dat mij in herinnering terug naar de dood van mijn vader. Iets waar ik tegenwoordig niet meer dagelijks over nadenk, maar wat in dit soort situaties weldegelijk naar de oppervlakte komt. Hoe het afliep met deze man zal ik nooit met zekerheid kunnen zeggen. Het zag er echter zodanig erg uit dat de auto onbruikbaar was, en de motor zowel geen voor als achterband meer had. De klap moet enorm geweest zijn.
Bij het Noosa Everglades Ecocamp, veranderde de sfeer volledig, toen we een enorme ruitpython zagen toen Daire een steen wilde oppakken om over het water te ketsen. De python was magisch en prachtig. Na de lunch reden we, alsof we niets hadden meegemaakt, door naar Rainbow Beach, waar we onze tour voor de volgende dagen boekte.
Na iets te veel potjes Jenga met een groep toeristen die de vorige dag terugkwamen van K’Gari, werden we ietwat vaag wakker voor onze briefing om zeven uur ‘s-ochtends. Snel ontmoeten we onze gids, Paul, die ons de komende dagen mee zou nemen over K’Gari. Na een nodige bak koffie en een bescheiden ontbijt, melden we ons bij onze auto’s. Mooie, ruime Toyota’s met vierwielaandrijving, om ons over de stranden en binnenlanden van het eiland te begeleiden. Het rijden moesten we zelf doen.
Binnen een half uur en na een stop bij de bottle shop die om negen uur opende, kwamen we aan bij de pont die ons binnen een klein kwartier mee zou nemen naar Fraser Island, zoals K’gari ook genoemd wordt. Vrij letterlijk kwamen we aan op de hoop zand die K’gari is. Aan de zuidkant van ‘75 mile beach’, zoals de snelweg op het eiland genoemd wordt. Ja, snelweg. Met een maximumsnelheid van tachtig kilometer per uur, is het strand van K’gari een officiële Australische snelweg.
Het duurde na het aanmeren niet lang voor we de eerste bezienswaardigheid van het eiland tegenkwamen. Onze eerste Dingo. Dingo’s zijn wilde honden en dus echte roofdieren. Ze zijn territoriaal en leven hun eigen leven. Af en toe worden mensen zelfs door ze aangevallen, maar meestal snuffelen ze een beetje rond, voor ze weer doorlopen. Het zijn nét echte honden. In mijn ervaring, zoals later zal blijken, zijn het prachtige beesten, die vooral niet als gevaarlijk moeten worden gezien. Toch zou ook ik mijn kippen of kinderen niet met deze dieren in aanraking laten willen komen.
Na een eerste ervaring met dingo’s, was ook de volgende magische ontmoeting al snel een feit. Binnen een uur, stonden we met de hele groep en drie auto’s op het strand te staren naar een tweetal walvissen, die bezig waren met hun jaarlijkse migratie vanaf Antarctica naar de tropische wateren. Het was voor mij de eerste keer dat ik walvissen zag, laat staan in het wild. Het was een magisch gezicht.
De tour was als volgt opgezet. Onze gids, Paul, reed voorop met in zijn auto een aantal anderen. Iedere dag zat een ander groepje bij hem in de auto, terwijl de andere twee auto’s door ons werden bestuurd. Via radiocommunicatie vertelde Paul verhalen, die wel of niet waar waren. Zijn geloofwaardigheid kwam nog weleens ter sprake, aangezien hij het maar al te leuk vond om grapjes in zijn verhalen te verwerken. Zo sprak hij over ‘dingo eggs’ terwijl het over kokosnoten ging en vertelde hij dat aboriginals in aanraking kwamen met Japanse Ninja’s rond de tweede wereldoorlog. Australische humor ten top. Lunch bestond elke dag uit wraps met vlees en groenten en het avondeten moest door de groep worden gekookt op, natuurlijk, de Barbie. Ondertussen verplaatsten we ons gedurende dag van en naar ons kamp van en naar verschillende locaties op het eiland.
Op de eerste dag zwommen we bij Champagne Pools, in het noorden van K’Gari. De rock pools hadden deze naam omdat wanneer de golven over de rotsen sloegen, bubbels ontstonden die op champagne moesten lijken. Toen wij er waren, was de zee echter zodanig rustig, dat de bubbels ontbraken. Desondanks was het een prima eerste stop op het eiland. Ik besloot, ondanks de kou, iedere kans om te zwemmen te pakken, en me simpelweg niet zo aan te stellen. De wind en überhaupt de temperatuur op het eiland, was het echter niet altijd met mij eens.
De eerste avond zorgde ik, samen met Sem, een Amerikaanse jongen, voor het eten. We maakte hamburgers en iedereen was gelukkig. ‘s-avonds zaten we bij het kampvuur en dronken we drankjes, terwijl we elkaar allemaal beter leerden kennen. Los van Daire, Jildau en ikzelf bestond de groep uit een mix van mensen. De jongste van de groep was Rachel, een Canadees meisje van negentien die nog kinderzonnebrillen droeg. Daire was met zesendertig de oudste. Een groep schotse homo’s bestaande uit Jaime, Michael en Dean waren erg gezellig, net als de verschillende Ieren binnen de groep. Verder bestond de groep onder andere uit twee Duitse meisjes, Pia en Katherin, een Australische meid, Julia en een Duitse gast uit onze auto, Freddy.
Op de tweede dag reden we, voor we naar onze eerste stop in het binnenland gingen, naar een koffiezaakje voor een broodnodige cappuccino. Hierna reden we binnen een uurtje over een daadwerkelijk 4x4 weggetje door de jungle naar een klein meer met talloze zoetwaterschildpadden. Hoewel dit mooi klinkt, was hier verder niet veel te doen. De rit was leuk, maar of het het waard was om bijna twee uur te reizen om een paar schildpadden te zien, is maar de vraag. Tevens zaten wij op dag twee in de auto bij Paul, wat betekende dat hij het rijden op zich nam. Helaas, want dit was de langste dag van allemaal.
Na het eerste meer van de dag reden we door naar een ander meer waar we konden zwemmen, hoewel ik mezelf ook hier forceerde het water in te gaan, ging ik ditmaal niet kopje onder. Ik ben namelijk geen fan van bruin water, laat staan zoet bruin water. Na de lunch vervolgden we onze weg naar Eli Creek, een beekje die uitkwam in de oceaan. Dit was een leuke stop, want hier konden we, met een biertje in de hand, doorheen tuben. Tevens was het water helder en zelfs drinkbaar, hoewel ik genoeg had aan mijn blikje coopers, die even later na een gevecht met mijn rubber band, in het water verdronk. Bij Eli Creek kon je ook voor tachtig dollar een vlucht maken in een klein vliegtuigje. Hoewel dit leuk klonk, vonden we tachtig dollar per persoon toch net iets te veel voor een kwartier vliegen. In plaats hiervan speelden we volleybal in de beek.
De laatste stop van dag twee, voor we terug gingen naar het kamp, was het S.S. Maheno scheepswrak. We maakten foto’s met de groep rondom het wrak, wat vrij imposant op het strand lag. Voor de helft dan, want de andere helft werd in de tweede wereldoorlog gebruikt voor trainingen met explosieven.
Hoewel het plan was dat ik weer zou gaan koken met Sem, dit keer ‘streak en sausages’, liep dit net anders. We keken de zonsondergang op het strand, terwijl deze eigenlijk aan de andere kant van het eiland onder ging. Mijn groep was inmiddels voor het grootste deel terug naar het kamp, toen ik met een meisje van een andere groep in gesprek raakte. Ze was bezig met het rollen van een ‘rolie’ en ik besloot hetzelfde te doen. Toen ze vervolgens iets uit van de bestuurdersstoel van de ‘lead car’ pakte, begon het te dagen. Ze was de gids van de andere groep. Toch dronken we samen een biertje en rookten (sorry mam) we onze rolies vanuit de achterkant van haar auto. Ondertussen keken we naar hoe de volle maan opkwam en praten we over het leven rondom K’gari, reizen en vanalles en nogwat. Shae was een leuke meid en we hadden het naar onze zin. Zodanig dat we onze groepen allebei een beetje vergaten. In mijn geval niet zo’n probleem. Ik ben een toerist en kan doen wat ik wil, maar Shae was de oppas van haar groep. Toch leek ze geen haast te hebben met vertrekken. We zaten wel lekker te praten. Nogmaals, leuke meid, mooie lach, prima humor. Inmiddels was haar volledige groep ook van het strand verdwenen en werden we alleen nog vergezeld door een dingo die ons wel interessant vond. Hij kwam zelfs zo dichtbij dat zelfs Shae, die de tours gaf, verbaasd was. Toen ik vervolgens ging plassen en dezelfde dingo opgerold naast mij lag, snapte ik even niet meer waarom men zo opgefokt deed over deze beesten. We werden zelfs verteld dat we ‘dingo sticks’ stukken PVC buis moesten meenemen om ze op afstand te houden. Goed. Op een gegeven moment was het toch tijd dat Shae en ik terug gingen naar onze groepen. Later die avond zouden we elkaar bij het kampvuur nog zien, maar goed, ze blijft een de gids van haar groep, dus het bleef netjes. Wel wist ik achteraf haar Instagram te vinden, dus nogmaals. Wie weet hadden ze toch gelijk en kom ik nooit meer terug naar Nederland.
Op de laatste dag van onze tour stonden we vroeg op om ons richting Lake MacKenzie te verplaatsen. Het meer was een zeer helder meer en perfect om (wederom ondanks de kou) te zwemmen. Niet nadenken en erin duiken. En zo geschiedde. Het was eigenlijk best lekker en verreweg de mooiste locatie van de tour. Hier verbleven we ongeveer een uur, voor we als laatste stop een wandeling maakten door een oud kamp waar de houthakkers verbleven, toen er op K’gari nog veel gekapt werd. Als allerlaatste, voor we teruggingen naar het vasteland van Australië, lunchten we in het zonnetje nog een keer met wraps, die inmiddels bij iedereen de strot uitkwamen.
Na ongeveer een half uur rijden, kwamen we weer aan bij de boot die ons terugbracht naar Inskip, op het vasteland. Na een korte rit naar rainbow beach vloog een groot deel van de groep uit, zonder elkaar waarschijnlijk ooit nog te zien. Zo gaat het met dit soort tours. Ook voor Daire en mijzelf was het tijd om weer verder te gaan, want in Rainbow Beach was er verder niets meer te beleven.
En dan nu de hamvraag. Was deze tour het prijskaartje van bijna zeshonderd dollar waard? Ik zou zeggen van wel, ondanks dat het zeker geen luxecruise was. De camping was simpel en het eten niet bijzonder, maar de groep was leuk en Paul deed zijn best als tourguide wat te merken was. Uiteindelijk gaat het natuurlijk vooral om de mensen die je ontmoet, waarvan er een specifiek in mijn hoofd zat. Maar reizen gaat snel, dus dat hoort erbij. Over een aantal dagen kan het allemaal weer anders zijn.