Pendelen tussen Lethebrook en Mirani

De tijd vliegt, wanneer je geen tijd hebt om plezier te hebben. Terwijl ik dit opschrijf, realiseer ik me dat dit niet helemaal zo is. Ik werk inmiddels al ruim drieënhalve week voor Strathdickie Plant Hire en heb het nog altijd naar mijn zin. Sterker nog, ik voel me een ander mens, dan toen ik, vandaag exact een maand geleden terug vloog uit Indonesië, na bijna vier maanden in Zuid-Oost Azië te hebben gespendeerd. Ik slaap dagelijks tussen acht en tien en sta vervolgens tussen vijf en half zes op. Eigenlijk best lekker. Ik kook elke dag zelf, met een wekelijks tripje naar McDonald's of KFC en probeer de rest van de maaltijden op de lijn te letten. Mijn moeder vast zal trots zijn om te horen dat ik van de afgelopen veertien dagen, dertien dagen niet gedronken heb. Momenteel ben ik verslaafd aan het suikervrije bubbelwater met smaak. Alleen afgelopen vrijdag ben ik, om de helft van mijn verblijf in de omgeving te vieren, uit geweest in Airlie Beach. Alleen, dus zo bijzonder was dit ook weer niet.
Zelf ben ik vooral trots dat ik, op die ene vrijdag na, ook al twee weken geen cent heb betaald voor mijn accomodatie in de buurt. Het hogere doel lonkt, maar daar moet ik jullie nog eventjes over in spanning houden. Ik spoil immers vrijwel nooit iets over mijn vervolgplannen, binnen mijn verhalen.
Halverwege mijn tweede week, toen ik met mijn supervisor Tyson in de auto zat, en hij vroeg waar ik verbleef, vertelde ik dat ik voor veertig dollar per nacht bij Nomads in Airlie Beach kampeerde. Zijn mond viel ervan open. Ik kende Tyson nog niet zo goed en wist op dat moment vooral dat hij van metalbands als Korn, System of a Down en Deftones hield, aangezien dit constant en op een flink volume aanstond in de auto onderweg naar een jobsite in Pinevale. Tijdens de rit van ongeveer anderhalf uur zei hij dat ik gerust bij hem kon kamperen. Hij had een grote schuur en zijn vrouw had hem recent verlaten. Later leerde ik dat zij er in dit proces ook met de halve overwaarde van zijn huis vandoor is gegaan. Het kwam er in eerste instantie vooral op neer dat hij het gezelschap wel kon gebruiken.
Tyson was impulsief, maar had het hart op de goede plek en vroeg, behalve af en toe een sigaret, gerold met maanden oud tabak, dat nog in het dashboardkastje van mijn auto lag, niets voor mijn verblijf. Hij dronk niet en dus was hij het, die mij introduceerde aan de ‘bubbly waters’, zoals hij de suikervrije drankjes noemde. Omdat hij mijn gitaar had gezien en zelfs in zijn jeugd ook gitaar speelde – je kan raden wat voor muziek – had hij het volgende weekend zijn volledige salaris in een zevensnarige ibanez-gitaar met versterker gestoken. Het is in Australië meer dan normaal om het geld dat je verdient direct uit te geven. “Waarom zou je geld sparen, als je voor grote uitgaven geld kunt lenen bij de bank?” las ik uit Tyson’s gedachten. Het duurde niet lang voordat hij er ook zelf achterkwam dat een zevensnarige gitaar zelfs voor de meeste metal niet de meest praktische keuze was. En zo probeerde hij deze weer op marketplace de verkopen.
Waar het werk de eerste weken nog vrij relaxed was en we voornamelijk onderhoud deden, begonnen we in mijn derde week, na een eerste hulp en White Card cursus op maandag, met het opbouwen van een nieuwe werkplaats, bij een runderboer in Mt Ossa. In zeven dagen mulchen we de grond, bouwen we een irrigatiesysteem op, berekenen we - lees ik; een tiental simpele oppervlakte sommen - hoe we 2500 bomen kwijt kunnen, prepareren we de gaten, planten we, en ruimen we alle troep die we in een week hebben gemaakt weer op. Het klinkt als niet heel veel, maar iedere stap heeft zo zijn eigen processen en het werk is fysiek en zwaar. Dit was tevens waar Glen, de eigenaar van het bedrijf, me voor had gewaarschuwd. Hoewel het inderdaad af en toe warm en zwaar is, vond ik het leuk en prima te doen. Alleen met de grote tang, waarmee we bijvoorbeeld fittingen op buizen draaien, had ik af en toe nog moeite. Vooral wanneer hier met een rotgang water uit stroomde. Verder viel mij, met al het respect, op dat ik qua werklust en bereidheid toch wel boven zowel mijn Australische collega Hector en de collega uit Fiji, Tui, uitsteek. Men is gewoon liever lui dan moe, terwijl ik mijn eerste sicky – je ziekmelden terwijl je eigenlijk gewoon iets anders wilt doen; Australische cultuur ten top – nog moet opwerpen.
Inmiddels zit ik dus ruim op de helft van mijn verblijf hier en vervolgens zal ik nog wel eventjes tussen Mirani, waar ik in het tweede huis van mijn baas Glen kan slapen, en Lethebrook, waar Tyson woont, pendelen. Alles om hier zo min mogelijk geld uit te geven. Ik heb immers al genoeg uitgegeven aan bijvoorbeeld mijn auto, die ik een nieuwe batterij heb gegeven en waarvan ik met Tyson de motorolie heb vervangen. De benzineprijs is inmiddels gelukkig iets gezakt, naar een schamele twee dollar per liter. Nog niet zo laag als de één vijfenvijftig die ik in Victoria betaalde, maar het is beter dan het was, toen ik net uit Azië terugkwam. De komende weken wordt nog eventjes hard werken, maar ik kijk inmiddels alweer rijkhalzend uit naar het volgende avontuur, wat wellicht niet direct is wat je zou verwachten.
Dan op de valreep van dit bericht nog wat dierennieuws om de familie thuis wat angst aan te jagen, aangezien Glen mij, voor ik met dit werk begon, had beloofd slangen en krokodillen te zien. Ik kan je vertellen dat ik beide inmiddels heb gezien. Zo zag ik een babykrokodil – zeg maar Schnappi – van een kleine vijftien centimeter tussen de mangrove vlakbij Proserpine en zagen Tyson en ik een krokodil van ruim drie meter langs de Bruce Highway, iets voor Proserpine. Hier reden we alleen met een rotgang langs.
In het geval van slangen, kunnen we mijn twee eerste Eastern Brownnsakes op de lijst zetten, die we allebei op donderdag zagen, tijdens het werken. De eerste zagen we vanuit de auto, maar de tweede, grotere slang gleed zowat over mijn voet heen, door de mulch, waarna Tyson deze met grof geweld naar de hemel stuurde. Hoewel ik hier principieel tegen ben, maakte dit van de mulch wel iets minder een mijnenveld. De eastern brownsnake is ten slotte de op één na meest giftige slang ter wereld.
Om positief af te sluiten nog een aantal eervolle vernoemingen naar de enorme groene kikker in Tyson’s toillet, het de tientallen ijsvogeltjes bij de beek in Mount Ossa, de helaas overleden vogel, die tegen Tyson’s voorruit aan knalde en vervolgens tussen zijn dak en roofracks zijn laatste uren doormaakte, en tot slot de enorme en prachtige varaan die tijdens het gebruik van het bos toilet op mij af kwam rennen en een dag later hoog in de boom zat.