Puerto Princesa met een privechauffeur

Om mijn verhalen gevarieerd te houden, schrijf ik vandaag op een andere manier. Omdat ik toch ook maar één dag in Puerto Princesa zal zijn, dacht ik dat het een leuk idee is om vandaag meer te schrijven, terwijl ik er ben. Hier zijn meerdere redenen voor. Zo is Puerto Princesa niet een stad die veel mensen aanraden om te bezoeken. Er zou niets te doen zijn, het zou er lelijk zijn en er zouden geen andere toeristen zijn. Nou lekker is dat, wanneer ik morgen nou juist vanaf hier moet uitvliegen naar Siargao, wat dan weer een van de hoogtepunten van mijn reis door de Filipijnen zou moeten worden.
We beginnen in ieder geval goed. Ik heb vier codewoorden vandaag: Krokodil, Schorpioen, Wandelende Tak en Python. Let goed op! Daar gaan we!
De rit naar Puerto Princesa ging snel en was niet heel interessant. Natuurlijk was de natuur mooi, maar om nou weer te beginnen over mooie bomen en lelijke wegen, zou ook een tikje eentonig worden. Eenmaal bij het hostel kon ik eerder dan verwacht direct inchecken en vind ik direct een gitaar. Score! Precies om die reden heb ik van huis een aantal plectra en een capo meegenomen. Nu weet ik in ieder geval dat ik me bij het hostel niet zal vervelen. Ik bestel lunch bestaande uit tagliatelle met gehaktballen en speel een uurtje wat oude en nieuwe liedjes op gitaar. Ik merk dat mijn eelt er nog zit en dat stelt me gerust.
Hierna was mijn plan om richting de Iwahig Prison and Penal Farm te gaan. Iwahig is een gevangenis die open is om te bezoeken. Zo kunnen gevangenen het laatste deel van hun straf hier bij goed gedrag uitzitten en zo weer integreren in de samenleving. Een interessant concept, maar ook spannend om te bezoeken. Ik ben een beetje bang dat het vooral ‘aapjes kijken’ is. Voor het hostel loop ik naar een aantal tuk tuk drivers. Waarvan één van hen bereid is mij mee te nemen. Mike, durft het aan om mij heen en weer te rijden naar de gevangenis. Wel fijn, want de meeste mensen die naar de gevangenis gaan, blijven daar achter!
Het is een lange rit van ongeveer drie kwartier, waarbij onderweg langzaam maar zeker de minder esthetische stad die Puerto Princesa is, plaats maakt voor een veel mooier uitzicht op de bergen rondom de stad. We rijden langs cashewnoot plantages, rijstvelden en opvangcentra voor wilde dieren, voor we uiteindelijk bij de toegangspoort van de gevangenis aankomen. “Welcome. Iwahig Prison & Penal Farm” prijkt groot op de gevel. Terwijl we naar de toegangspoort rijden, komt er een zwaar bewapende militair naar ons toe, die vriendelijk doch serieus zegt dat de gevangenis helaas al is gesloten. Blijkbaar accepteren ze om drie uur de laatste groep mensen en was is dus vijfentwintig minuten te laat. Geef het verkeer de schuld of leg het bij mij neer, maar jammer was het in ieder geval.
“Where are we going, sir?” Zegt Mike beleefd, omdat ik denk dat ook hij het ongemakkelijk vind dat hij mij bijna een uur naar de gevangenis heeft gereden, terwijl deze al gesloten zou zijn. Hij stelt voor me naar een Krokodillen boerderij - welkom in de Filipijnen - te willen brengen en daarna door te willen rijden naar een vlindertuin in de buurt. Natuurlijk hoort hierbij dat hij als mijn chauffeur op mij wacht, terwijl ik rustig en zonder enige haast, mijn ding doe. Ik vind het een leuk idee en we vertrekken.
De entree voor de Crocodile Farm and Nature Park is 100 peso’s inclusief een foto met een krokodil. Qua ethiek valt dit in het straatje van met walvishaaien zwemmen in Oslob, maar je moet ook begrijpen dat het hierover oordelen erg makkelijk is vanaf een Nederlands perspectief. Ik heb de laatste tijd gezien en ervaren hoe weinig men hier meestal verdient en hoe lastig de locals hierdoor ook rondkomen, hierdoor betaal ik de honderd peso’s met liefde en ga ik door.
Voor nog geen twee euro krijg ik niet alleen een foto met een krokodil, wat dit ook mag inhouden, maar ook een rondleiding door de boerderij waarbij we langs zowel jonge als volwassen baby zout- en zoetwater krokodillen lopen. De baby’s zijn schattig en zitten in bakken met een klein plonsje water. De volwassen krokodillen zijn echter pas echt imponerend. Zo waren de grootste tussen de vier en vijf meter. Als ik die maar niet zou hoeven vasthouden! Wist je trouwens dat het geslacht van een krokodil wordt bepaald door de temperatuur waarop de eieren worden warmgehouden. Erg handig als je ze wilt fokken.
Voor we bij dat spektakelstuk aanbelanden, loop ik nog een rondje door een gedeelte met vooral slangen en schildpadden die op Palawan voorkomen. Als laatste breng ik een bezoekje aan de Palawan Bearcat, een mooi en ook zeker groot beest dat eruit ziet alsof je hem zou willen knuffelen. Zoals het bordje bij zijn open verblijf verteld, wordt dit toch afgeraden, vanwege de agressiviteit van het mooie dier.
Dan is het toch echt tijd voor het fotomoment. Ik loop naar binnen bij het kantoor - beter kan ik het niet omschrijven - dat ze de fotostudio noemen, en krijg vrijwel direct een halve dinosaurus in mijn handen. Ik moet erbij zeggen dat de Filipijnse zoetwaterkrokodil van ongeveer vijftig centimeter een afgeplakte bek heeft. Het ziet eruit alsof het gewoon plastic tape is. Tegen twee andere Nederlandse meiden, die net weglopen, zeg ik dat dit waarschijnlijk het meest ongemakkelijke is dat ik tot nu toe in de Filipijnen heb gedaan. Ik zou haast zeggen dat ik hier niet achter sta en ik zie voor me dat alle kleine baby krokodillen die ik heb gezien af en toe aan de beurt zijn om met toeristen zoals ikzelf te poseren. Maar goed, codewoord één, check!
Wanneer ik naar buiten loop, staat Mike rustig te wachten met zijn linkervoet geheven tegen zijn tricycle. We gaan richting de vlindertuin. Voor wederom een minuscuul bedrag krijg ik ook hier een tour van een gids. De jongedame is, zoals ze hier uit eigen ervaring wel vaker op witte en blonde gasten zijn, direct verliefd. Zeer ongemakkelijk als ze tussen haar verhaal door regelmatig opmerkingen maakt die gaan van “Hoe oud ben je?” en “Je bent zo dapper!” tot uiteindelijk “Bij vlinders moeten de mannetjes hun best doen om mooi te zijn, bij mensen volgens mij niet.” Aldus een Filipijns meisje van net twintig. Ik wilde haar verhaal niet verstoren, dus ik heb mijn beeld op deze situatie maar niet met haar gedeeld, maar in een ideale situatie doe je allebei een beetje je best.
Goed ik dwaal af want we moeten door naar ons tweede en derde codewoord. We komen aan bij een aantal bakken met hierin wat insecten en reptielen, vergelijkbaar met de krokodillen boerderij waar ik hiervoor was. In de eerste bak liggen twee schorpioenen en direct zegt ze, “wil je er eentje vasthouden?” Met frisse tegenzin doe ik het toch. Ik vraag nog een aantal keren of ze steken en natuurlijk of zij het eventjes voordoet. Terwijl ze zegt dat ze alleen steken als je ze boos maakt, legt ze haar hand onder een van de beestjes met een gemene angel. De schorpioen blijft rustig en ik durf het wel aan. Ik breng mijn hand naar die van haar toe en ze laat hem rustig op die van mij glijden, tot de schorpioen volledig op mij steunt en ze mijn telefoon aanpakt voor een foto. Check! Codewoord nummer twee!
De derde volgt al heel snel, wanneer we bij de volgende bak aankomen en ze vrijwel direct hetzelfde doet met twee wandelende takken. Een mannetje en een vrouwtje. Ze legt wat uit en ik begin comfortabel te worden met de dieren op mijn armen. Ze zijn bewegelijk en kietelen een beetje. Ik geef ze over aan een klein jongetje uit de Filipijnen die nog enthousiaster is dan ik.
De groep die inmiddels is aangesloten, volg ik naar de andere kant van de straat. Wat ik namelijk niet wist is dat deze tour ook een bezoek levert aan een inheems dorp, althans een nagebootst en vooraf opgezette façade ervan. Het dorp gaan we namelijk niet in, maar wel staan we voor een aantal huisjes waar een aantal halfnaakte gasten met een volleybal spelen en de zogenaamde meisjes van het dorp, wat naar mijn idee echt niet groter is dan die twee huisjes in mijn zicht en waarschijnlijk een kleedkamer erachter, zitten op de veranda van ‘hun huis’.
De inmiddels nieuwe gids vertelt over de geschiedenis van het volk, dat geen Engels zou spreken terwijl ze exact doen waar zij het over heeft. Het voelt een beetje als het bezoek aan de Wiwa stam dat Miro, Just, Tim en ik tijdens onze trip door Colombia brachten. Vooral het muziekgedeelte, was leuk ingestudeerd. Vooral toen onze gids al na een kleine vijf seconde het mooie nummer van de heren afbrak voor ons applaus, kon ik m’n lach lastig inhouden. Per groep mochten we hierna op de foto met de stam en apart met hun huisdier, je raadt het wellicht al. Het is tijd voor codewoord nummer vier: de Python!
Achter het huis vandaan kwamen twee gasten, in een minder inheemse outfit, aan met een enorme slang. Ik was de eerste die met de python van toch bijna drie meter op de foto mocht en kreeg hem om mijn nek en in mijn handen, alsof het een doodnormale, maar ietwat zware, ketting was. Even lachen, duimpje erbij en weer door. Het was een rare ervaring om binnen een paar uur met zo veel dieren op de foto te gaan. Het voelde een beetje fout, maar ook heel erg Filipijns, waardoor ik het toch deed.
Natuurlijk waren de foto’s niet gratis en kon ik deze kopen voor zo’n 400 peso’s. In vergelijking met dat Mike mij voor 700 overal heen zou rijden, best wat geld, maar ik deed het toch. Ik sta tenslotte niet iedere dag met een Python om mijn nek en als je het dan toch doet, beter met een foto. Ik merk dat ik het een beetje aan het goedpraten ben. Excuses.
Mike stond net als net rustig klaar en vroeg me wederom waar ik heen wilde. Hij deed zelfs een suggestie om me naar een uitkijkpunt te brengen bij Mitra’s Ranch. Ik besloot mijn gift aan Mike te verhogen naar 1000 peso’s omdat hij telkens zo fijn op me had gewacht en we inmiddels al weer drie uur onderweg waren. Het uitkijkpunt was niet geweldig, maar gaf toch wat rust. Het uitzicht was vooral niet zo mooi omdat Puerto Princesa nu eenmaal niet de mooiste stad is. Helaas, maar daar kan Mike ook niets aan doen. Op de veldjes rondom het uitzichtpunt zaten veel locals die mij met mijn grote Canon camera vroegen om een foto van ze te nemen. Dat is het minste wat ik kan doen en locals zorgen altijd voor een leuk plaatje.
Mijn trouwe chauffeur rijdt me hierna en nadat hijzelf klaar is met het roken van de twee peuken die ik hem heb gegeven voor tijdens het wachten, richting het Puerto Princesa City Baywalk Park, de laatste locatie die ik graag zou willen zien.
Deze boulevard, die mij nog het meest aan een mix tussen Scheveningen en Panama Stad doet denken, is leuk en erg druk. Veel scholieren zitten met hun drankjes en nog steeds in hun school uniform op het muurtje van de boulevard. Je hoort de zee en verschillende straatverkopers die hun praatje vaak beginnen - en eindigen - met “Hello sirmam”, een soort verbastering van Sir en Ma’am, omdat iedereen hier alles kan zijn en je je netjes - lees onderdanig - dient te gedragen tegen toeristen. Dat is me inmiddels wel duidelijk geworden. Het is soms om ongemakkelijk van te worden. Uiteindelijk ga ik voor een chocolade milkshake, waar ik een gênante 39 peso’s voor betaal. Omgerekend is dit zo’n drieënzestig cent. Mike, die alweer en nog steeds rustig staat te wachten, brengt me terug en stelt voor mij morgen naar het vliegveld te brengen. Ik neem zijn aanbod aan.
Bij het hostel overhandig ik hem zijn beloofde duizend peso’s en speel ik wat gitaar, voor ik lekker ga eten bij het Guni Guni restaurant, dat bij het gelijknamige hostel hoort. Ik drink één biertje en schrijf dit stukje af, voordat ik rustig richting bed ga.
Morgen ga ik naar Siargao, waar ik alleen maar goede dingen over heb gehoord. In vergelijking heb ik over Puerto Princesa alleen maar vreselijke dingen gehoord, maar heb ik een ongelooflijk spontane en leuke dag gehad. Het is bijna alsof ik mezelf vast klaarmaak voor teleurstelling. Wel kijk ik er naar uit om Gabor, Kyra en uiteindelijk ook Emmy weer te zien, van wie ik allemaal weet dat ze ook naar Siargao komen.
Ik had beloofd nog wat uit de doeken te doen over mijn plannen voor de komende weken. Morgen vlieg ik dus naar Siargao, waar ik minimaal vier nachten blijf. Toch hoor ik van iedereen dat dit eventueel zelfs wat kort is, waardoor ik mijn vlucht naar Cebu op de drieëntwintigste overweeg te missen en een nieuwe te boeken, een aantal dagen later. Een ding staat echter vast. Op achtentwintig november vlieg ik vanaf Cebu, via Manila, naar Bali, om het tweede land van deze trip te gaan ontdekken. Indonesië!
De kans is echter groot dat ik later terugkom in de Filipijnen omdat ik met Nikki en Martika had besproken Tiek haar verjaardag hier te vieren in februari. Dit is dan ook een van de redenen dat ik Cebu, Siquijor, Moalboal, Bohol, Malapascua, en Boracay misschien oversla. Maar goed, dat zijn leuke maar ook alweer véél plannen! Voor nu bekijk ik het dag voor dag en week voor week. Tot snel!