Capurgana, Sapzurro, La Miel en De Darién Gap

Ik zit op de boot van Necoclí naar Capurganá, onze laatste slaapplek in Colombia. Net als tijdens de busrit gisteren, luister ik naar het nieuwe album van Foo Fighters. 'But Here We Are' is het eerste album sinds het overlijden van Foos drummer, Taylor Hawkins. Ik merk dat het me emotioneel maakt. Niet alleen omdat ik ook een groot fan was van Hawkins, maar ook omdat nummers als 'Under You' en 'Hearing Voices' perfect omschrijven hoe het voelt om te rouwen. Eerlijk, direct en oprecht. Zo'n boottochtje als deze brengt dan ook weer wat naar boven bij mijzelf.
We varen door de Brazo de León Rio Atrato, een lange naam voor de grote baai vlak bij de grens met Panama. Dit is overigens de enige manier waarop je Capurganá, Acandí en een aantal andere dorpjes aan de overkant kunt bereiken. Er gaat namelijk geen weg naar het grensgebied met Panama. Hiervoor zijn verschillende redenen, waarvan drugs- en mensensmokkel waarschijnlijk de belangrijkste zijn. De Darién Gap is berucht om zijn onvergeeflijkheid. Zo zijn er dagelijks groepen mensen die de oversteek van Colombia naar Panama proberen te maken. Dit moet te voet en zorgt voor verschillende gevaren: uitputting door tekorten aan water en voedsel, ziektes, wilde dieren, planten, afzondering en de activiteit van verschillende guerrillabewegingen en drugskartels in het gebied. Je begrijpt dat het dubbel voelt om in dit gebied te zijn en via een tour als San Blas Adventures richting Panama te reizen, terwijl op dezelfde veerboot ook vluchtelingen zitten die de oversteek te voet zullen moeten maken. Ik verwijs graag naar de BNN/VARA-aflevering van 'Fight or Flight' over de Darién Gap, waarin presentator Sahil met een groep vluchtelingen uit voornamelijk Venezuela meeloopt tijdens deze oversteek. Een aantal van hen bereikt uiteindelijk via Panama de Verenigde Staten, terwijl een deel vermist raakt tijdens deze tocht door de Panamese jungle.
Onze boot met maar liefst vier Suzuki-motoren bracht ons vanaf ongeveer half negen binnen anderhalf uur naar Capurganá, waar we een paar uur zouden doorbrengen. We ontmoeten hier onze gids Tonny, een Costa Ricaan vol positieve energie, en de Franse Nina, die op dit moment vooral op het 'kantoor' in het dorp werkte. Het kantoor stelde niet veel meer voor dan een tafel in het café waar ook wij de briefing zouden krijgen voor de trip. Nina kwam uit Marseille, maar had een dochtertje dat in Medellín was geboren. Aangezien ze aangaf negen jaar in Medellín te hebben gewoond en een jaar in Capurganá, ga ik ervan uit dat haar dochter rond die leeftijd is. Het is een lief meisje met een Frans uiterlijk. Het is dan toch apart om te horen hoe ze voornamelijk Spaans spreekt. Het is duidelijk te zien hoe het meisje geniet van haar jeugd in Colombia. Ze knuffelt en speelt met de andere gidsen, locals en toeristen.
Omdat Capurganá kampt met een tekort aan brandstof, is er niet op elk moment stroom in het dorp. Ook wanneer wij aankomen, is alleen een enkel restaurant verlicht. Het lijkt wel alsof de Colombiaanse mentaliteit hier perfect wordt uitgeoefend. Alle stroom die er wel is, gaat naar de keukens van de restaurants en muziek op straat. Bezuinigen op sfeer is onmogelijk.
Een bijkomend probleem is dat Nina, die had aangegeven dat we zo snel mogelijk onze 'exit stamp' zouden gaan halen bij het lokale migratiekantoor, de migratiemedewerker niet kon bereiken. Er was immers geen telefoonbereik vanwege de stroomstoring. We besloten eerst te luisteren naar de briefing.
In de tuin van het café dat ik noemde, stelde iedereen zich voor. De groep van ongeveer 24 man bestond uit een groot aantal Britten en Ieren, wat Australiërs en Nederlanders. Een aantal van hen hadden we al ontmoet tijdens ons etentje in Necoclí, maar het grootste deel van de groep zagen we op de boot voor het eerst. Iedereen stelde zich voor en vertelde over zijn of haar verwachtingen, waarna Nina en Tonny de opzet van onze trip uitlegden. We betaalden de trip en iedereen ging in groepjes eten en boodschappen doen, aangezien Capurganá het laatste punt was met een redelijk aanbod aan boodschappen. Na het eten konden we onze stempel halen, waarmee we Colombia mochten verlaten!
Met twee kleinere boten, de een groen en de ander rood met 'San Blas Discovery' erop, gingen we richting Sapzurro, waar ons laatste Colombiaanse hostel op ons zou wachten. Omdat het grensgebied tussen Colombia en Panama zo gevoelig ligt, voelt het speciaal om hier zowaar vanuit het Colombiaanse dorp naar La Miel te kunnen lopen in Panama. Tot de verbazing van zowel Tim als mijzelf was hiervoor geen enkele paspoortcontrole nodig. Wel moesten we, om het strand van La Miel te mogen bezoeken, allebei 3.000 Colombiaanse peso's betalen. Je merkte dat de twee dorpen eigenlijk gewoon één zijn, met het verschil dat ze allebei in een ander land liggen. Het strandje was lekker, met ons eerste Panamese biertje. We liepen terug om hierna met de groep een drankje te doen op een dakterras in de jungle.
De kamer in ons hostel, Hostel Triny, was gevuld met de drie Ierse meiden en de jongen uit Nijmegen met wie we eerder al hadden gegeten in Necoclí. Ook een Australische soloreiziger sliep op dezelfde kamer. Hoewel de groep nog een beetje aan het
aftasten was, merkte je wel dat de eerste connecties ontstonden. Max, de jongen uit Nijmegen, was aardig en fijn om mee op te trekken. No-nonsense. Christine en de andere Ierse meiden trokken nog vooral met elkaar op, maar probeerden wel contact te leggen. De twee Nederlandse meiden, Frederique en Lisette, hadden we nog niet gesproken, maar leken ook vriendelijk. Dan had je nog de grote groepen Ierse gasten en Engelsen, met wie we niet veel contact hadden, maar altijd in leken voor een gesprek. Al met al was het een leuke groep, maar merkte je dat iedereen moe was van het reizen naar Sapzurro.
In de jungle troffen we een leeg dakterras aan. Het was prachtig, met uitzicht op de baai, maar de eigenaar van het hostel was nergens te bekennen. Nina had geen internet, dus ook dat maakte de zaak moeilijker. De crew besloot het bier uit de koelkast te pakken en nieuw bier te halen om bij te vullen. We dronken en praatten wat en wachtten tot het tijd was om te eten. Het eten in het hostel was inbegrepen en was oké. Hier en daar was het vlees een beetje taai, maar het kon ermee door. Het deed me des te meer uitkijken naar het eten tijdens onze trip naar San Blas, wat fantastisch schijnt te zijn. Na het eten haalden we bij een van de abuela's in het dorp een zelfgemaakt ijsje, bestaande uit een in een plastic beker gegoten substantie, met een houten stokje, uit de vriezer. Het was een schattige gewaarwording en de vrouw, die op deze manier al 27 jaar ijs maakte, was blij met de positieve aandacht.
's Avonds ging de groep vroeg naar bed. Toch hadden Tim en ik nog wel zin in een goed gesprek en besloten we met Tonny, die inmiddels had gezegd dat wij zijn favoriete mensen uit de tour waren, die officieel nog niet eens was begonnen, aan tafel te gaan zitten. Nina kwam erbij en we hadden gesprekken over leven en werken in het buitenland, de Darién Gap, de vluchtelingencrisis hieromheen en hoe dit zich verhoudt tot reizen als westerling. Het is natuurlijk te veel om hier allemaal te herhalen, maar de betrokkenheid van alle gidsen viel mij meteen op. Zo kende Tonny zowel aan de legale als illegale kant mensen en heeft ook Nina genoeg gezien, 'wat een mens niet zou moeten zien'. Het kan ook niet anders, het zijn geen grote communities. Mensensmokkel is een grote business hier en je hebt uit wanhoop altijd mensen die ervoor willen betalen. Toen de gesprekken op hun eind liepen, moesten Tim en ik onze tassen nog inpakken. We besloten dit in de ochtend te doen, aangezien iedereen al lag te slapen.