Moyogalpa en Balguë op Isla Ometepe

Isla Ometepe is weer een bestemming die ik al lang op de planning had staan. Miro was, net zoals bijna iedereen die ik heb ontmoet, heel enthousiast over deze plek. Tevens is het de laatste bestemming van mijn reis door Nicaragua.
Onze reis richting het eiland begon na een rustig en brak ochtendje vanuit Granada. Pleun en ik namen de chickenbus naar Rivas en alles verliep vrij soepel. Nog voordat we in Rivas aankwamen, werden we door de buschauffeur opgedragen om in een andere bus te stappen, die ons direct naar San Jorge zou brengen. San Jorge was het havendorpje, dat volledig in het teken stond van de ferry richting Moyogalpa op Isla Ometepe. Er waren wat barretjes en restaurants, maar vooral zag je een hoop locals en toeristen met tassen en koffers wachten op de ferry die ongeveer iedere twee uur vertrok.
Nog voordat we op de boot zaten, zagen we de twee pieken van de vulkanen die het eiland rijk was. De grootste van de twee, Conception, zouden Pleun en ik gaan beklimmen. Pleun had immers nog nooit een vulkaan beklommen, en mijn ervaringen met Acatenango, Cerro Negro en El Hoyo waren positief geweest.
De boottocht zelf duurde lang en paste geheel in de stijl van Nica Time, het fenomeen waarbij op tijd of vroeg komen geen optie is. Het uitzicht was zoals gezegd wel mooi, en we hadden een leuk gesprek met een Australische gast. Tevens genoten we van een local die binnen een uur toch zeker een sixpack Toña bier wegdronk. Een levensgenieter!
Op het eiland namen we voor twee euro een tuktuk naar ons hostel Mirador Papasito. Hier werden we verwelkomd door Lesther, die hier als gids en klusjesman werkte. Al snel besloten we met hem de vulkaan op te gaan een aantal dagen later, en hij hielp ons ook met een aantal andere benodigdheden. We zouden hier nu maar een nacht verblijven, waarna we met twee gehuurde scooters naar Balgue aan de andere kant van het eiland zouden afreizen, om na twee nachten daar terug te keren naar Papasito voor de vulkaan hike.
We bekeken de zonsondergang in de zogenaamde ‘jacuzzi’ van het hostel en hadden leuke gesprekken met een stel Nieuw-Zeelanders en twee Britten. Ik heb me eigenlijk altijd afgevraagd waarom het niet gewoon Nieuw-Zeeuwen zijn, maar dat is off-topic. Pleun had zin in pizza, maar ik vertrouwde de pizzascene van Ometepe niet helemaal. We gingen naar een restaurant waar ze ook pasta hadden. Helaas was de Bolognese op en hadden ze ook geen rode wijn. Toch was mijn Pasta Arabiata beter dan de pizza van Pleun, maar ook deze was niet top. Niet ieder eiland kan een Italiaan hebben die, trouw aan zijn land, lekker eten wil bereiden.
We gingen redelijk vroeg naar bed om de volgende ochtend ook vroeg te kunnen vertrekken. Precies op het moment dat Pleun en ik de sleutels van onze scooters in handen kregen, begon het met regenen. We hadden van Anne, die in de week ervoor op Ometepe was geweest, al gehoord dat het goed kon regenen, maar met die scooters op onverharde wegen was dat toch wat spannend. De stress van de ochtend werd vergroot toen Pleun opeens aangaf haar paspoort niet te kunnen vinden. Blijkbaar zat deze al sinds we vertrokken vanuit de Corn Islands in mijn paspoorthoesje. Eind goed, al goed.
We vertrokken en de regen werd steeds heviger. Toch voelde het lekker om volgens Nederlandse normen opgevoerde scooters te kunnen rijden. De wegen waren het eerste deel van de route nog best goed, maar de regen zorgde voor slecht zicht en een glad wegdek. Het duurde ook geen vijf minuten voor we vlakbij het vliegveld - waar je gewoon overheen kon rijden - werden staande gehouden door de eilandpolitie. Hoewel het opslagvakje in de scooter niet zo groot was, was het een hele zoektocht naar het kenteken- en verzekeringsbewijs van de motor. De agent keek ons boos en geïrriteerd aan, maar we mochten door. Wat een geluk. Het duurde echter niet lang voor we weer stilstonden langs de kant van de weg rondom de vulkaan. Niet vanwege het mooie uitzicht, want dat was er door de regen niet, maar door de regen die zo heftig was geworden dat het niet verantwoord was om door te rijden. Bij een tentje langs de weg dronken we koffie en bestelden we koekjes om te wachten tot de bui voorbij was. De Nicaraguaanse café-eigenaar zat zelf met een vriend al gezellig aan het bier. We keken naar paarden die zich niets aantrokken van de regen en besloten na een half uur, toen het iets was opgeklaard, onze regenjas te pakken en toch door te rijden.
Het was nog steeds nat, maar het kon ermee door. In ongeveer een uurtje reden we naar het noorden van Ometepe. We stopten nog even kort bij een uitzichtpunt over het meer en zagen hier pas echt de grootte ervan. Het meer van Nicaragua is het op 19 na grootste meer van de wereld en heeft veel weg van een binnenzee. Het schijnt dat er zelfs bullsharks in het meer zouden zwemmen, al hebben wij nog niemand ontmoet die deze daadwerkelijk heeft gezien. Twintig minuten verderop lag ons nieuwe hostel, La Urraca Loca. Het hostel werd gerund door twee Italianen en zag er prima uit. Het had een mooie tuin en een fijne zithoek boven de receptie.
Omdat het inmiddels lunchtijd was, besloten Pleun en ik wat te eten bij een tentje in het dorp. Tot mijn verbazing stonden er
allemaal curry’s op de kaart, waaronder een Thaise Massaman curry. Die moest ik nemen! Het eten was echt heel goed en overtuigde ons meteen om hier ‘s avonds weer terug te komen, om zo meer van de kaart te kunnen proberen. In de dagen hierna at ik hier onder andere nog Tika Masala en een heerlijke kipburger! Ook het ijs en de zelfgemaakte drankjes waren erg goed.
Na onze lunch in Balgue was het weer iets beter en besloten we onze scooters te pakken en naar de waterval aan de andere kant van het eiland te rijden. Een goed plan, maar minder goede uitvoering! De wegen waren vrij ruw en onverhard, dat ging gelukkig goed, behalve dat ik vol door een modderplas reed en mijn schoenen van de zoveelste laag modder voorzag. Het probleem zat hem in de tijd. Na een half uur te hebben gereden, zagen we uit het niets een aantal jongens naast hun scooters staan en een man die ik het beste kan beschrijven als 'verward' naar ons zwaaien met twee armen.
"Relax, parkeer jullie motoren hier! Er heeft geen zin om naar de watervallen te gaan. Ze zijn gesloten! Ik kan jullie wel een biertje aanbieden als jullie willen?" zei de man met een vol Londens accent. Hij had warrig blond haar, liep op opgezwollen blote voeten en droeg een shirt dat hij binnenstebuiten had aangetrokken. Blijkbaar was de waterval in de namiddag gesloten, omdat ze niet wilden dat mensen nog in het donker op de vulkaan waren. Miguel, zoals hij heette, wees naar een geïmproviseerd terras boven in een hut aan het meer en nodigde ons uit voor een drankje. De anderen die hier met hun scooters stonden, waren de Nieuw-Zeelandse gasten die Pleun en ik eerder hadden ontmoet. Waarom ook niet, dachten we.
Gedurende de middag vertelde Miguel over het La Gloria hostel en wat hij daar als vrijwilliger deed. Hij had een bowling spel verzonnen, werkte aan een overkapping van de trap naar het terras, en probeerde vooral de eigenaar een beeld te schetsen van kapitalisme, iets wat volgens hem in Nicaragua niet bestaat. "Hier leven ze het simpele leven. Verhongeren doen ze toch niet. Er zit genoeg vis in de zee en mango's, bananen en kokosnoten hangen in de bomen. Pas als je een motor wilt, gaat roken of drinken moet je hier geld verdienen," vertelde hij. Zijn rant ging door. "Overigens, het hostel kost hier vijf dollar per nacht en is leeg. Prima, volgens de eigenaar, want als hij tien gasten heeft, moet hij tien keer beddengoed verschonen, terwijl hij ook gewoon in zijn hangmat kan liggen."
Het waren interessante gesprekken, maar Miguel wist van geen ophouden. We dronken nog een laatste drankje en gingen terug naar ons hostel. Miguel nodigde ons uit om de volgende ochtend, voordat we naar de watervallen zouden gaan, terug te komen voor een kopje koffie. Die avond keken Pleun en ik nog een aflevering van onze serie The Days en gingen we weer redelijk vroeg naar bed.