The Lost City Trek: Deel 1

Dit verhaal gaat over The Lost City, een vierdaagse hike die Tim, Miro, Just en ik in Colombia hebben gelopen.
Het is een van de mooiste ervaringen uit mijn leven. Er valt zoveel te vertellen dat ik zelfs in dit lange stuk heel veel vergeet te vermelden. Excuses bij voorbaat. Het verslag is per dag en in chronologische volgorde geschreven om mijn impressie te behouden.
Zondag 28 mei:
Omdat The Lost City een vierdaagse hike is zonder telefoonbereik, kan ik niet anders dan deze stap gedurende de dagen schrijven in de notities van mijn telefoon. We begonnen onze zoektocht naar deze verloren stad in de Sierra Nevada van Noord-Colombia met een zoektocht naar een goede touroperator in Santa Marta. Alle tours gaan namelijk hier vandaan. Waarom begrijp ik niet helemaal, want het is qua stad nou niet helemaal ‘je van het’, al wil onze tourgids ons graag anders doen geloven.
Na even rondvragen bij wat mensen die we in het El Rio hostel hadden ontmoet, raadt Virginie, ‘zeg maar Nini hoor’, ons Tayrona Tours aan. Omdat deze operator redelijk dicht bij ons hostel in Santa Marta zit, staken we onze zoektocht en gingen we erheen. Het ziet er binnen goed uit en we kunnen direct boeken. Vanaf morgen lopen we The Lost City.
Maandag 29 mei:
Om 07:20 worden we opgehaald bij ons hostel in de stad. We rijden in een 4x4 richting het kantoor van Tayrona Tours om onze groep te ontmoeten. “Als je een leuke groep hebt, komt het sowieso goed,” is wat we te horen kregen van Nini en haar vriendin Vera, met wie zij The Lost City had gelopen.
Onze groep bestaat uit een groot aantal Fransen die een gemiddelde leeftijd hebben van 40, hoewel dit komt door de (ik denk) zeventiger die ook meeloopt. Gelukkig is een van de tourgidsen nog ouder dan deze man. Voor hem moet het dus wel goed komen. Verder bestaat de groep uit een stel Britten, een Nederlandse vrouw en (ik denk) haar Duitse vriend.
Na een ranzig ontbijt (niet via de tour, maar we waren vergeten te eten) en een briefing, waarin we horen hoe de hike in elkaar steekt, vertrekken we in een 4x4 busje naar het startpunt van de hike. Op de splitsing tussen twee stoelen van Just en Miro in zit ik, wanneer onze chauffeur keihard tegen de spiegel van een stilstaande vrachtwagen aanrijdt. Miro mag blij zijn dat zijn mooie gezicht nog op dezelfde plaats zit.
Na een korte stop, waar iedereen een roze bandje kreeg om het park te mogen betreden, reden we nog een uur door op wegen waar een hobbelpaard van zou klaarkomen. We kwamen aan in El Mamey om te genieten van onze lunch op een door de organisatie geregelde locatie. Kip, rijst, linzen en bakbanaan.
Vanuit hier begonnen we onze trek richting het eerste kamp, Adán, het eerste kamp van deze meerdaagse hike. Just, Miro, Tim en ik begonnen direct goed en liepen met de voorste van de twee tourgidsen mee vooruit. Twee tourgidsen is relatief, want eigenlijk ging het om een 18-jarige jongen, Kenneth, die meeging met Luis, de echte gids, om de kneepjes van het vak te leren. Al na een paar honderd meter hadden we door dat het een zware tocht zou gaan worden. Iets wat we in de dagen hiervoor wellicht hadden onderschat. We twijfelden zelfs nog om eventueel naar een feest te gaan bij het El Rio hostel, waar we een aantal nachten geleden hadden geslapen.
Terwijl we al snel werden geconfronteerd met steile hellingen, waar niet alleen de gloednieuwe witte Nikes van Tim het moeilijk mee hadden, keken we puffend en hijgend naar de oh zo mooie Sierra Nevada. Het is een minder dichte jungle dan ik in mijn hoofd had voorgesteld. “Het is ‘droog seizoen’,” zegt Luis, “in het regenseizoen is het allemaal veel groener.” Ik kan het me bijna niet voorstellen, want het is al zo mooi.
Na een paar uur lopen, komen we aan bij Adán. We krijgen een bed toegewezen in een van de vele hangmatten die er hangen. We zijn kapot, maar het voelt goed. We hebben het eerste deel gehaald. Na het avondeten, wat bestond uit een soort spaghetti bolognese, gaan we vroeg naar bed. Morgen staat ons een lange dag te wachten.
“Het is natuurlijk geen zone A,” zoals Miro dan zou zeggen - mooi mannetje. Wat deze jungle wel heeft, zijn talloze koffie-, cacao- en inderdaad: coca-plantages. Ook zie je veel koeien en paarden grazen op de berghellingen van het gebied. Voor het grootste gedeelte liepen we op een weg, waarvan ik zou zeggen dat een 4x4 voertuig van vandaag het ook wel aankon. Toch werd dit richting het einde van de eerste dag wat lastiger door steile kleipaden. Deze deden mij denken aan de foundationlaag van Donald Trump. Na een tocht van ongeveer tien kilometer met voldoende rustpunten, watermeloen en water kwamen we aan in het eerste kamp, waar we tot onze verbazing een hostel-achtige ervaring aantroffen.
In het kamp stond ons een nog veel mooiere verrassing te wachten. We konden zwemmen in een natuurlijke waterpoel bij een nabijgelegen waterval. We sprongen een voor een in het water vanaf een ongeveer zes meter hoge rots. Het voelde als een perfecte beloning na een wandeling die op de tweede dag tweemaal zo lang zou worden. We dronken een biertje en kregen onze volgende maaltijd: vis met rijst en wederom bakbanaan! Het was erg lekker en we waren allemaal een beetje verbaasd over alle voorzieningen die we aantroffen.
Luís vertelde na het eten een verhaal over de geschiedenis van dit gebied, terwijl we genoten van een kop coca thee. De olifant in de kamer kon wederom niet omzeild worden en dus ging het ook over de geschiedenis van de Sierra Nevada en Tayrona Park als cocaïneproductiegebied. Begin jaren 2000 werden er nog twaalf toeristen gedood door guerrillagroepen tijdens hun bezoek aan The Lost City. De verhalen gingen lang door en op een gegeven moment werd ook het luisteren iets moeilijker. Onze gids gaf aan dat we de volgende dag al om vijf uur op zouden moeten en dus gingen we rond negen uur naar bed om te genieten van onze luxe klamboe.
Dinsdag 30 mei:
Al voor mijn wekker ging, schalde er ‘gooooodmorning’ door het gangpad waaraan onze dorms lagen. Luís maakte ons wakker voor het ontbijt. Scrambled eggs, arepa, meloen én een stukje brood dat zoet had moeten zijn, maar niet wist hoe. Niet per se waar ik voor zou gaan, maar het kon ermee door. Toch duurde het voor mij (en de rest) iets te lang voordat we weer mochten lunchen. We stonden tenslotte om 05:00 naast ons bed. Een uur later begon de wandeling van maar liefst 17 kilometer naar het punt, net onder The Lost City.
Al snel merkte ik op dat deze wandeling een stuk mooier zou worden dan die van een dag eerder. De wegen waar je met een 4x4 kon komen, hadden we achter ons gelaten, terwijl we de beklimming inzetten. De tweede van de drie heuvels was al een stuk meer ongerept en werd bewoond door vier inheemse volkeren. We bezochten de Wiwa stam. Het voelde alleen een beetje alsof we in het Archeon waren beland. De man liet verschillende instrumenten zien, terwijl hij ze gebruikte. Zo maakte hij touw van een blad en maalde hij coca bladeren met calcium. Als klap op de vuurpijl speelde hij een ogenschijnlijk geïmproviseerd muziekstuk op zowel een inheemse fluit als trommel. Het stelde niet veel voor maar werd met geklap ontvangen. Naderhand kon je manden kopen, gemaakt van het touw dat vanuit de eerdergenoemde bladeren werd gewonnen.
Het duurde nog een tijdje voordat we uiteindelijk bij het volgende kamp aankwamen voor de lunch. Het was een uur of 11. Eerst zwommen we in de Buritaca rivier om vervolgens op te drogen tegen de stenen in de rivier. Om terug naar het land te komen, moest je weer de rivier in. De rivier was koud, maar verfrissend. Het was een welkome pauze. De lunch bestond uit cassave uit de frituurpan, rijst, kip en een soep van kippenbouillon, mais, linzen en andere groenten.
De middagetappe was intens op meerdere vlakken. Na een korte warming-up met een pad bovenlangs de rivier gingen we de brug over om bij de beklimming van de dag te komen. Binnen een kilometer hierna klommen we meer dan 200 meter. Een uur lang was het alleen maar omhoog, terwijl het zweet uit elke naad van je lichaam stroomde. Het zou een uur omhoog en daarna anderhalf uur gemengd zijn. Dit klopte, tot het na twee volle weken mooi weer met bakken uit de lucht kwam vallen. Terwijl we bezig waren met het mooiste gedeelte van de wandeling en onze grote vriend Kenneth “Vermeer” stevig doorstapte, begonnen we aan het laatste gedeelte van de tocht. Het begon namelijk steeds harder te regenen en al snel hadden we allemaal door waarom het tempo zo hoog lag. In een klein half uur kwam de halve Caribische zee uit de lucht vallen. Steeds harder en steeds natter. We waren bijna bij The Lost City, maar toch moest er nog een bak water over ons heen. Paden werden rivieren, zand werd modder en afdalingen werden watervallen. Hoewel we een vuilniszak om onze tas hadden gebonden, voelden we hoe het koude regenwater met druppels tegelijk langs onze rug stroomde. Het werd onmogelijk om foto’s te maken van de varkentjes, huisjes, wildernis en inheemse bewoners die je tegenkwam. De regen spoelde alles behalve onze in modder gezonken schoenen helemaal schoon. Het voelde als een ware douche, beter dan enige douche die ik de laatste twee weken heb gehad.
Na een totaal van meer dan zestien kilometer in ongeveer zeven uur liepen we uiteindelijk volledig doorweekt, maar wel als eerste(!) het kamp binnen, vanuit waar we een dag later naar de Ciudad Perdida zouden lopen. De andere groepen kwamen een voor een binnen en iedereen zag er tegelijkertijd verslagen als onoverwinnelijk uit. Het was een barre, maar fantastische tocht.
We dronken weer, aten weer en zaten aan tafel en bij de wc’s, en namen onze memes door. Do you know the muffin man? The muffin man? THE MUFFIN MAN! Een grote shoutout naar The Muffin Man. Hierna gingen we weer vroeg, om negen uur, naar bed.